Terwijl Laura en Babs op pad gaan en dingen ondernemen, genieten wij vandaag van een rustdagje op onze kamer. In de jaren dat wij een paar weken per jaar op vakantie gingen, alvorens terug te gaan naar het drukke werkende bestaan thuis, wilden we er ook altijd op uit, dingen zien, mensen ontmoeten en constant bezig zijn. Maar nu, na ruim een jaar reizen, is het soms gewoon fijn om op je eigen vertrouwde kamer te zijn. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het feit dat de hotelkamer ook onze enige ‘eigen’ privéruimte is, met vertrouwde spullen uit de rugzak. Wij hebben geen thuis, waar je lekker je dingetje kunt doen, geen avondjes naar de sportclub, op stap, bij vrienden of familie op bezoek of gewoon lekker voor de buis. Niet even je favoriete eten bij de Albert Heijn halen, zelf koken en daarna in je eigen bed, waarvan de lakens naar wasverzachter ruiken. Zoals je thuis behoefte hebt om er af en toe uit te zijn, hebben wij regelmatig behoefte om er vooral even niet uit te zijn. Weg van al die nieuwe en onbekende dingen, gewoontes en culturen en vooral heel ver weg van al die gasten die wat van ons moeten en altijd beter weten wat goed voor ons is. En aangezien onze mogelijkheden op de hotelkamer beperkt zijn, doen we dan weinig meer dan lezen en laptoppen.
Halverwege de middag begint de maag van Ries te knorren en hij gaat op pad, op zoek naar eten. Hij komt terug met heerlijk zacht brood van de bakker, echte Hollandse kaas en verse tomaten. Daar kunnen we nu echt van genieten, een broodje gezond, maar dan een beetje anders.
Eindelijk horen we vanuit de badkamer gedruppel komen en even hopen we dat er weer water is. Maar het is van korte duur, de leiding loopt leeg en dan gebeurt er niks meer. In de tussentijd hebben Laura en Babs de receptie een emmer water bij ons laten brengen. Je kan je voorstellen dat het geen genot is om al twintig uur geen water te hebben. Niet douchen is nog tot daar aan toe, maar een toilet niet door kunnen spoelen is toch een ander verhaal. Ze hebben verteld dat wij warm water nodig hadden om te kunnen douchen, maar dat was een leugentje om bestwil. Nadat ik gisteren met een hoofd vol shampoo onder de douche stond en het water op was, bleven ook onze ranzige lange broeken half uitgewassen en vol met zeep in de bak liggen. Zo goed en kwaad als het kan, was ik het safarizand uit de broeken, want morgen moeten we ze weer aan. Als dan na 24 uur het water eindelijk weer begint te stromen spurt ik naar de douche. Eerst snel inzepen en afspoelen, want stel je voor dat dit weer van korte duur is. Maar het probleem lijkt opgelost en ik trakteer me op een lange tijd lekker onder de hete straal. Een uurtje later gaat Ries en hij is er nog geen kwartier onderuit als de druk weer wegvalt. Nog even een pisstraaltje, drupdrup en dan niks meer.
Het is donker als we de straat op gaan. Nu staat Nairobi niet voor niks bekend als Nairobbery en we kijken eerst eens even goed om ons heen. Maar het is nog een drukte van belang en we slenteren zo maar ergens een kant op. En zo belanden we bij een echte Italiaan, waar we alle vier een heerlijke pizza verorberen. Het is wel duidelijk dat dit restaurant met name draait op toeristen en andere blanken. Links en rechts zit nog een welgestelde Keniaan, maar de man van de hoek kom je hier niet tegen.
Al voordat we op safari gingen, hebben we gesproken over een keertje luxe ontbijten. En dan moet vandaag dan gaan gebeuren, bij het Hilton. We moeten er vroeg ons bed voor uit en lekker rustig tafelen is er niet bij, want onze bus naar Mombasa vertrekt om half tien. Maar het eten is heerlijk, keus te over uit brood, muesli’s, eieren, spek, pannenkoeken, wafels, worstjes, verse jus, koffie en nog veel meer. Net als we weer weg willen gaan, komt er een man met een fototoestel binnen sprinten en het lijkt erop alsof hij voor iemand uitrent. Een statige man en charmante vrouw lopen de trap op en erachter loopt een groepje bewakers. Even navraag doen wie ze zijn, want misschien hebben we zojuist wel de Afrikaanse Marco Borsato gezien of een andere beroemdheid. De man blijkt één van de presidentskandidaten te zijn en vandaag is er een grote verkiezingsbijeenkomst in het Hilton. Wat een poeha weten ze er hier van te maken zeg. Snel vluchten we naar buiten richting busstation.
Laura en Babs hebben gisteren de kaartjes al geregeld en we kunnen niet anders zeggen dan dat ze dat heel goed gedaan hebben. Met het Moyale-syndroom nog in ons achterhoofd geven ze ons de stoelen helemaal voorin. We zitten naast de chauffeur, met mega veel beenruimte en een panoramaview. Het is bijna jammer dat deze rit maar achtenhalf uur gaat duren.
Gelijk als we Nairobi uitrijden wordt de weg weer slecht, maar in onze fijne zetels voorin hebben we daar weinig last van. De rit dwars door de binnenlanden richting de kust is niet echt bijzonder en we brengen de tijd lezend en duttend door. Ergens midden in de stad worden we eruit gezet. Gelukkig rijden de meeste privébussen hier niet naar het centrale busstation, maar stoppen ze bij hun eigen kantoor. Dat is een heel stuk beter dan de overvolle chaotische busstations, waar je iedereen van je af moet slaan en ook nog moet proberen om vooral je spullen goed in de gaten te houden.
Via via belanden we in een simpel hotelletje. De straat en de omgeving zien er niet zo jofel uit en we moeten de douche en toilet delen, maar het is tenminste wel allemaal schoon. Eigenlijk hebben we alle vier geen zin om ’s avonds weer in deze stad op zoek te gaan naar een restaurant en de cup-a-soup, noodvoorraad instant noodles en broodresten bieden uitkomst. En ach, na het lekkere uitgebreide ontbijt van vanochtend mag het vanavond ook wel met wat minder. Tijdens het eten maken we een vervolgplanning voor onze reis. Wat willen Laura en Babs nog persé zien en doen en hoeveel tijd hebben we daarvoor nodig? Ze weten het allebei nog niet precies, misschien nog een safari in Tanzania, wel of niet naar de Ngorongoro krater of de Kilimanjaro of ergens lekker een paar dagen aan het strand. We besluiten in elk geval noordelijk langs de kust te reizen, richting het plaatsje Lamu en daarna zien we wel verder.
Mombasa is heet en dat merken we al snel. In Nairobi kan je slapen zonder fan, hier kan je alleen slapen met de fan op de hoogste stand. We gaan de stad in, op zoek naar ‘De slagtanden’. De vader van Ries heeft thuis een foto, waarbij hij voor de tanden staat. De foto is meer dan veertig jaar geleden gemaakt en toen was er nog weinig bebouwing te zien. Nu staan de tanden op een drukke doorgaande weg en overal staan gebouwen, winkels en huizen. Nee, dit is niet meer het Mombasa van vroeger. Het is nog een hele toer om Ries voor de tanden op de foto te krijgen, want het verkeer raast aan alle kanten op de dubbele wegen aan ons voorbij.
Laura en Babs vinden we per toeval terug op een groot terras in de buurt. Al bij binnenkomst vonden we deze tent er ietwat hoerig uitzien, maar het blijkt ook letterlijk een oppikplaats voor de lokale hoeren te zijn. Op dit tijdstip is het nog niet druk, maar de enkele man die alleen of met vrienden binnen komt, wordt gelijk omringd door vrouwen. En natuurlijk zijn al die mannen blank en al de vrouwen zwart. En wat doen Laura en Babs dan uitgerekend in zo’n tent? Nou, zo toevallig was het ook niet dat zowel zij als wij daar naar binnen gingen, want hier is het enige terras wat we tot nu toe tegengekomen zijn. Blijkbaar zien de hoertjes ook weinig heil in Ries, die met drie blanke vrouwen op pad is en ze laten ons dan ook fijn allemaal met rust. We drinken een biertje en gaan dan op zoek naar informatie over buskaartjes richting Tanzania. Deze moeten we over een aantal dagen pas hebben, maar we willen ons onderweg ergens op laten pikken en ‘Man, this is Africa’, dus wel zo handig om je zaken tevoren goed te regelen.
Onderweg stoppen we nog even bij de lokale soldeerder om onze waterkoker te laten maken, want zonder waterkoker zijn we nergens. De man heeft een winkel vol met elektrische rotzooi en probeert ons nog even een blender en een geavanceerd koffiezetapparaat aan te smeren, maar daarvoor bedanken we hem hartelijk. Hij soldeert de boel aan elkaar en weigert vervolgens ons geld aan te nemen. Jeetje zeg, dat hebben we in Afrika nog niet meegemaakt. Meestal vragen ze het drievoudige van wat iets werkelijk waard is of zou moeten kosten. Of we hier uit fatsoen aan zouden moeten blijven dringen, weten we niet, maar we doen het ook vooral niet.
Om de hoek van een Indiase Sikh tempel bevindt zich een – hoe kan het ook anders – Indiaas restaurant. Tijdens het eten van de curry met chapati’s denken we allebei met enige weemoed terug aan Amritsar, de Gouden Tempel en de bijzonder mensen daar. Hoewel Mombasa ons tot op dit moment niet echt kan bekoren, is het er in elk geval beter dan in Nairobi. Morgen op de bus naar Lamu.
Nu waren we zo onder de indruk van de regelkunsten van Laura en Babs voor de beste plaatsen in de bus, dat we hen opnieuw de kaartjes hebben laten regelen. Maar deze keer waren er geen goede plaatsen meer en om te voorkomen dat we niet bij elkaar konden zitten, hebben de dames de achterbank geregeld. Arccchhh, we hebben gelijk weer last van het Moyale-syndroom. En terecht, blijkt al snel. De weg wordt steeds slechter en de ene hobbel of bobbel wordt gelijk afgewisseld met kuilen, gaten en keien. Dat er ook op deze tocht mannen in uniformen met grote geweren meereizen, belooft weinig goeds. Na bijna achtenhalf uur stuiteren en door armmoedige dorpjes rijden, stopt de bus bij een soort haventje, waar de boot naar Lamu vertrekt. Lamu is een eiland wat op een half uurtje varen ligt en ons trage bootje dobbert vrolijk langs de oever, die vol met mangrove staat. Als we de bocht om gaan, zien we Lamu in de verte al liggen. Het is geen vrolijk of mooi dorp, nergens is een flitsende boulevard te zien en de aanlegsteiger heeft zijn beste tijd ook gehad. Als we de pier aflopen, moeten we eerst een handvol ‘beach boys’ van ons afslaan. Dit zijn de overbekende Afrikaanse knullen, die hun dagen vullen met toeristen naar (te dure) hotels lokken. Dit alles op een zeer vasthoudende en onvriendelijke wijze, met als doel het binnenhalen van belachelijk hoge commissies. We poeieren ze allemaal af en zetten onze rugzakken ergens neer om te overleggen waar we gaan slapen.
Laura en Babs geven aan dat ze niet langer in het soort hostels willen, waar wij meestal slapen. Te basic en te armoedig. Het hele backpackavontuur valt vooral Laura tegen, zegt ze. Dit is niet haar manier van reizen en ze voelt zich er helemaal niet happy bij. De dorpjes, de armoede, de rotzooi en het vuil overal, de kindertjes in kapotte kleren en op blote voeten, het is allemaal te veel. Voor ons is dit niet anders dan het al veertien maanden is. Het enige verschil is dat hier alle mensen bruin zijn en dat ze soms wat meer zeuren en je geld afhandig proberen te maken dan in Azië. Dat Laura niet de enige is, die hiermee te kampen heeft, blijkt wel uit het feit dat er een naam voor dit gevoel bestaat: Cultuurshock! Te grote en snelle omschakeling met thuis en vooral veel te veel nieuwe indrukken. Omdat luxere hotelkamers ons weinig zeggen, besluiten we dat wij naar een budgethostel gaan en Laura en Babs gaan op zoek naar een comfortabelere kamer. Het lijkt ons ook wel goed dat ze gewoon even samen hun ding kunnen doen en niet de verplichting voelen om mee te gaan in onze low-budget manier van reizen. De aankomst op Lamu was natuurlijk ook niet zoals ze het zich voorgesteld hadden. Het is een dorpje van niks en het lijkt wel alsof de tijd hier stil is blijven staan. Er zijn geen auto’s, transport gebeurt per ezel en er zijn overal smalle steegjes en straatjes met kleine winkeltjes. De verf van de meeste gebouwen is afgebladderd en ’s avonds, als het donker is, moeten we opletten dat we in de onverlichte steegjes niet ons been breken in een riool of over een verhoging, kuil of afstapje.
Zogezegd zo gedaan. Laura en Babs vinden een geweldige stek, wij een goedkope. Of het daarmee samenhangt, weet ik niet, maar vanaf onze aankomst tot het einde van de avond valt de stroom vier keer uit. Niet echt fijn als je voor enige verkoeling toch wel aangewezen bent op de fan.
Vandaag gaan we fijn een eindje varen, met de dhow, een soort Afrikaanse zeilboot. Het begint gelijk al op de bekende Afrikaanse manier. Eerst onderhandelen over de prijs en die kan dan natuurlijk ineens weer omlaag. Dan een tijd afspreken waarop wij ons aan de kade melden en als we arriveren, is onze man nergens te zien. Dan gaat onze man inkopen doen en zegt dat we zo gaan, wat natuurlijk ruim een uur later blijkt te zijn. ‘Pole pole’, zegt hij, schudt zijn rastahaar nog maar eens flink door elkaar en geeft ons een oogverblindende glimlach. ‘Hakuna matata man, this is Africa’. Misschien had ik het heel de dag moeten turven, hoe vaak we die drie kreten te horen kregen. De eerste paar keer is het nog leuk, daarna wordt het een afgezaagd iets.
Het tripje bestaat uit zeilen, naar een eilandje om te bbq’en en te zwemmen en dan terug. Onderweg gaan we zelf vissen en de verse vangst kan dan zo de bbq op. Dat is een beetje het plan. Maar hoe hard we ons best ook doen, we vangen niks. In de boot ligt een verdwaalde vis, waarvan onze schipper Quito zegt dat hij die vannacht gevangen heeft. Hij is ook visser, blijkt. Op onze vraag waarom die ene vis dan nog in de boot ligt, zegt hij dat we die nog kunnen bakken, mocht het niet lukken om iets te vangen. Hoewel je Afrikanen zelden op een vooruitziende blik kunt betrappen, blijkt Quito deze wel te hebben. Of hij weet gewoon dat we toch niks zullen vangen, omdat er daar gewoon geen vis zit. Maar het klinkt natuurlijk wel erg stoer, ‘zelf je vis vangen’.
Het zeilen is erg leuk en al snel suizen we over het water. De dhow heeft één groot zeil en als de wind er vol inblaast, moeten we allemaal mee gaan hangen om te voorkomen dat we omslaan. Maar dat is nog niet genoeg. In de boot ligt een dikke plank, die ze over dwars naar buiten laten steken. Daarop gaat dan nog iemand zitten, een beetje vergelijkbaar zoals een catamaranzeiler buiten zijn boot aan een tuig hangt. Hier zit je op een plank. Afhankelijk van de hoeveelheid wind moeten er meer of minder mensen op zitten. Bij een beetje wind moet Lemon erop. Dat is een knulletje van twaalf jaar, die een soort van hulpje is. Waait het harder, dan zit Quito aan het roer en bedient het zeil en wordt Lemon vergezeld door Vasco, onze derde man. Het is een grappig gezicht en van afstand zien we meer dhows op deze manier varen. Het lijkt wel alsof het trapezemannen zijn, die op een wip zitten.
Na het geweldige visvangstavontuur - met score nul – leggen we aan op een idyllisch strandje. Onze bootmannen ontfermen zich over de ene overgebleven vis en weten met minimale middelen en een houtvuurtje een lekker lunch klaar te maken. Verder is er weinig op het eilandje te doen. Links en rechts zitten wat locals en de Moslimvrouwen zien we met gewaden nog aan het blauwe water inlopen.
Halverwege de middag is er voor de kust van Lamu een dhow wedstrijd tussen een aantal boten. Het gaat er heftig en serieus aan toe en van een afstandje bekijken we de race. Daar waar bij ons Lemon en Vasco op de plank zaten, zien we hier dhows waar soms wel meer dan vier volwassen mannen buiten boord hangen voor het tegenwicht. De finish is vlak bij de aanlegsteiger van Lamu en als we die naderen, krijgen we nog een heus trommel- en zangconcert van onze drie zeilers. We hebben genoten van het tochtje en zijn lekker uitgewaaid. We doen nog een poging om bij een paar touroperators na te vragen wat vliegen vanaf Lamu naar Malindi of Mombasa kost, maar de meesten zijn al gesloten. Eentje noemt ons een prijs die wij te hoog vinden, tenslotte is het maar iets meer dan een half dagje bussen naar Malindi en als we plaatsen verder naar voren in de bus weten te bemachtiging, overleven we het hobbel-de-bobbel-karrenspoor ook wel. Zo erg als Moyale – Nairobi kan het toch nooit meer worden!
Bij terugkomst op onze kamer heeft de stroom het weer begeven. Moedeloos worden we ervan, geen fan en koffie zetten kunnen we ook wel vergeten. Ries gaat op pad om buskaartjes voor morgenochtend te regelen en Laura en Babs besluiten morgen aan het einde van de middag toch te gaan vliegen. Dan kunnen ze de ochtend en een deel van de middag nog iets in Lamu ondernemen, terwijl wij in de bus zitten. Het einddoel van de volgende dag wordt Watamu, een gehucht aan de kust, een stukje boven de grens met Tanzania.
Als dat ei gelegd is, gaan we naar de Afrikaanse Italiaan en eten overheerlijke pizza’s. Ries en ik duiken op tijd ons bed in, de wekker gaat straks om vijf uur al weer af. Laura en Babs blijven nog even natafelen. We spreken af om elkaar de volgende avond bij een bepaald guesthouse weer te ontmoeten. En als dat mis gaat, kan het nooit zo moeilijk zijn om elkaar te vinden. Hier in Lamu bleek ook al dat alle locals ons goed in de gaten houden. Staan Laura en Babs op de kade op ons te wachten, dan weten de hanggroepmannen en –jongens ze al precies te vertellen dat die grote man met staartje en blauw t-shirt met die blonde vrouw bij het winkeltje cola aan het kopen zijn. Nee, nee, hier in Lamu kan je niet ongemerkt in de massa opgaan. Watamu zal niet veel anders zijn, dus ergens zullen we elkaar wel weer treffen.
Vorige verhaal                                                  Volgende verhaal