Site Logo   Help
Enkeltje Bangkok :
Home > Verhalen > Bolivia > Potosi 21-04-2008
Foto's
 Dag 589 t/m 592: Potosi

Boliviaanse vlechten en hoedjeToen we Bolivia op ons lijstje zetten van te bezoeken landen, maakten we ons daarvan een hele voorstelling. Kleurig geklede vrouwen met lange vlechten en bolhoedjes, chaotische taferelen die we min of meer in Afrika dagelijks tegenkwamen, slechte wegen en vervoer en een hele omschakeling na het moderne zuidelijke deel van dit continent. Maar de realiteit was toch net iets anders dan we verwachtten.

Op de laatste dag in Argentinië hebben we ons lekker bezig gehouden met onze website. Pam heeft hard gewerkt om alle foto’s uit te zoeken en aan het einde van de dag een paar lamme vingers van het typen, zodat de verhalen van onze rondrit in de omgeving van Salta op papier staan. Ik heb het allemaal een stuk makkelijker. Elke keer als Pam een stuk af heeft, hoef ik het alleen maar op de site te zetten. Paginaatje aanmaken, verhaaltje op de goede manier erop zetten, fotootjes erbij en voila. Thuis heeft men weer een half uurtje lees- en kijkvoer.
We zijn zo slim geweest om onze kamer in elk geval aan te houden. Aangezien de bus pas om 12 uur ’s nachts gaat, zouden we de hele dag ergens op straat moeten hebben rondhangen, nu konden we lekker in het hostel en op de kamer blijven. Best prettig als aan het einde van de dag de temperaturen toch flink zakken en we een fatsoenlijke internetverbinding nodig hebben om alles op het net te krijgen.

Om 23.00 uur pakken we onze laatste spullen in en nemen een kwartiertje later een taxi naar het busstation. Daar is het ondanks het late tijdstip een drukte van belang. Taxi’s en andere auto’s rijden af en aan en laden passagiers uit met flinke hoeveelheden bagage. Door de enorme afstanden nemen veel mensen de nachtbus.
We zoeken het perron op waar onze bus vandaan zou moeten vertrekken. Gelukkig hebben we een dag van tevoren al kaartjes gekocht en dat is maar goed ook. De afgelopen weken zaten we met de regelmaat van de klok in halfvolle bussen. Dit keer staat het perron vol met passagiers en bagage, maar het aantal toeristen is op één hand te tellen.
Onze bus vertrekt keurig op tijd richting La Quiaca, de grensplaats van Argentinië met Bolivia. Het lijkt echter wel hoe verder we van Buenos Aires komen, hoe ouder en ranziger de bussen worden. Ook dit gevaarte wordt intensief gebruikt, maar de schoonmakers doen niet net zo intensief hun best. Aan de buitenkant ziet het er allemaal nog wel goed uit, maar binnen worden we niet echt vrolijk. Is dit een voorproefje op wat ons de komende weken te wachten staat in Bolivia?
We rijden via dezelfde weg als waarover we met onze terrein Gol naar Salta terugreden weer naar het noorden, maar nu in het donker. We maken diverse stops om mensen in en uit te laten stappen. Bij één van de stops roken we even een sigaretje en stapt er ook een Israëli uit. We kijken verbaasd naar hem. Wij staan buiten in onze warme jassen en schoenen, hij loopt in een t-shirt en op blote voeten op het perron. Wat een idioot, te meer omdat de lokale bevolking hier zelfs met handschoenen en mutsen loopt.
Als we in Humahuaca stoppen, kijkt Pam me veelbetekenend aan en vraagt of we toch nog een keertje hier uit zullen stappen. ‘Misschien kunnen we nog een keer naar die mooie rotsen’ zegt ze, maar daar heb ik geen zin in. Hoe mooi het gebied achter Humahuaca ook was, het is tijd om door te reizen.

Het is al licht als we in La Quiaca aankomen. Het eindpunt van de bus. Om de één of andere vreemde reden rijden er vanaf Salta geen bussen door naar Bolivia en moeten we hier te voet de grens over. Na wat vragen weten welke kant we op moeten en hijsen onze rugzakken om. Onderweg stoppen we nog even bij een bakkerij waar de heerlijke lucht van vers brood door de deur naar buiten komt. We zouden hier wel even willen blijven, want het is er heerlijk warm.
Het beeld hier is al heel anders dan een paar honderd kilometer zuidelijker. Jonge mensen zijn over het algemeen modern gekleed, maar het merendeel van de volwassen vrouwen loopt in traditionele kleding.
Na een halve kilometer lopen komen we bij de grens. Aan de Argentijnse kant halen we ons derde exit stempel van het land en wandelen de brug over naar Bolivia. Hier vullen we een formuliertje in en krijgen zonder problemen een stempel om negentig dagen in het land te mogen blijven.

Op de grensZodra we de grens over zijn, beantwoordt er zeer weinig aan onze verwachtingen. Volgens de Planet kan je beter aan de Argentijnse zijde verblijven en ook van andere reizigers hebben we verhalen gehoord over het enorme verschil met Argentinië, maar we snappen niet waarom. Geen stoffige paden, oude wrakken van auto’s en chaos. Gewoon een rustige straat, die vanaf de immigratie het stadje inloopt. Wel zijn er heel veel wisselkantoortjes en buitenlandse valuta is hier duidelijk meer gewenst dan in Argentinië. En op de hoeken van de straten staan voor het eerst sinds hele lange tijd weer verkopers met eet- en drankenkraampjes. Empañadas kunnen we nog wel herkennen, flessen frisdrank ook, maar wat het andere voer en de emmers met vloeistof zijn, waaruit glazen vol geschept worden, kunnen we niet raden.
We zijn nog niet bij het busstation of we worden al besprongen. Waar we heen gaan? La Paz? Uyuni? Potosi? Zeker vier mensen proberen ons kaartjes te verkopen naar Potosi, onze eerste bestemming in Bolivia. De één wijst op de ene bus, de ander op de andere en ondertussen wordt er aan twee kanten aan mijn mouw getrokken. Dit zijn weer ouderwetse taferelen, zoals we ze van Azië en Afrika kennen. En ook weer heel anders dan in Argentinië en Chili, waar we elke keer op zoek moesten naar het juiste loketje, waar de verkopers netjes en rustig zaten te wachten op klandizie. Aan de andere kant is dit een keurig busstationnetje met kantoortjes en mensen die kaartjes verkopen. Het oogt allemaal misschien wat ouder en minder modern dan in Argentinië, maar er is helemaal niks mis mee.
Als we de kaartjes hebben, bekijken we onze bus eens en die beantwoordt ook helemaal niet aan onze verwachtingen. Niks geen oud barrel, niks geen gebutst en gedeukt gevaarte, maar een keurige dubbeldekker die echter wel wat hoog op de wielen staat in verband met de grotendeels onverharde wegen. Met alle Afrikaanse gaten en kuilen nog in het achterhoofd nemen we plaatsen onderin, zodat we niet teveel door elkaar geschud worden.

De rit naar Potosi is een makkie. De verwachtte acht uur door elkaar schudden, hebben we niet meegemaakt. Het onverharde deel tot Tupiza is keurig afgevlakt, waardoor de bus gewoon flink kan doorrijden. Daarna is de weg zelfs helemaal geasfalteerd en schiet het lekker op.
Na een uur of vier rijden houden we lunchpauze in één of ander dorpje. Blijkbaar is dit een vaste stop van de bussen want er staan er meer langs de kant van de weg. Wij hoeven niet zo nodig te eten, maar kijken liever even rond. Ook dit dorp is netjes. Pam gaat naar het toilet en dat blijkt een heel normaal schoon toilet te zijn, met toiletpapier zelfs. Het winkeltje waar we eventjes een paar boodschapjes doen, heeft gewoon een voorraad van alle normale artikelen. En op de hoek van de straat is zelfs een heus internetcafé te vinden. Wat nou, Bolivia is niet modern?
Aan de andere kant zien we weer veel mensen in traditionele kleding en het is wel duidelijk dat de moderne ontwikkelingen en tradities hier hand in hand gaan.

Wat nou, rottig vervoer?Aan het einde van de dag komen we op het busstation van Potosi aan en laten ons met een taxi naar het centrum brengen. We hijsen de rugzakken om en gaan op zoek naar een hostel.
Volgens de Planet is Potosi de hoogste stad ter wereld en ligt deze op ruim 4.000 meter. Als we een stukje gelopen hebben merken we de hoogte pas echt goed. Een klein stukje een straatje in, de heuvel op en we zijn bijna buiten adem. Maar gelukkig vinden we al snel een hostel, ééntje die niet in de Planet staat.
Het is druk bij het hostel en we kunnen nog een kleine kamer zonder badkamer krijgen. En zonder verwarming. Het was- annex opslaghok zit pal naast onze kamer en we stelen snel twee dikke dekens. We zien het al gebeuren dat we midden in de nacht van de kou wakker worden met de twee dekens die nu op het bed liggen.
Voor het eerst tijdens de hele reis horen we ineens volop Nederlands. We krijgen vaak te horen dat mensen veel Nederlanders onderweg ontmoeten of dat ergens veel landgenoten komen, maar om de één of andere reden komen wij die ‘hordes’ nooit tegen. Niet dat dit zo erg is, maar het is wel vreemd als je ineens overal om je heen je eigen taal weer hoort. En zoals het de gemiddelde Nederlander betaamt, wordt er flink over voetbal gesproken en wie uiteindelijk zondag a.s. landskampioen wordt. Belangrijk nieuws moet ook in ’t buitenland gevolgd worden tenslotte.

’s Avonds lopen we het stadje in, op zoek naar eten. Het hostel ligt vlak om de hoek van het centrale plein en het is er een drukte van belang. Een lange rij auto’s staat met allerlei reclames en grote nummers op de zijkant langs de weg geparkeerd en een stukje verderop is een podium in elkaar getimmerd, met daarop een lange rij bekers. Blijkbaar is hier het einde van één of andere rally. Normaal best leuk om daar even naar te kijken, maar we hebben honger en het is te koud om te blijven staan.
Ons diner bestaat uit echte Boliviaanse kost, friet met gebakken kip. Ja, friet met kip. Het klinkt niet echt exotisch, maar echt overal kom je de kippenvreetschuren tegen. Het is er druk en ook hier is de modernisering toegeslagen. Niks geen moeilijke handgeschreven briefjes en een ouderwetse geldla. Nee, onze bestelling wordt gewoon op een moderne computer ingeklopt waarna we een keurig printje meekrijgen.
Tijdens het eten worden we verrast op een tweemans bandje, maar die geven het na twee nummers al op, waarna ze een rondje door de tent lopen met hun cd’s. Dat was wel een heel kort optreden.
De hele nacht en dag in de bus beginnen hun tol te eisen en via een omweg lopen we terug naar het hostel. Maar ineens klinken ergens mooie muziekflarden en we besluiten even te gaan kijken. Voor de verandering geen Andesklanken en op de binnenplaats van een fraai gerestaureerd pand staan we een half uurtje te kijken naar een man die zichzelf begeleidt op een gitaar en met mooie stem liederen zingt. Als hij klaar is en de mannen met de panfluiten en gitaren het podium opkomen, maken we ons uit de voeten. Deze deuntjes kunnen we nog meer dan genoeg horen in de komende weken.

We zijn op tijd wakker en pakken het hele zooitje in. Voordat we gingen slapen hebben we voor de volgende nacht een kamer met eigen badkamer gevraagd en daar moeten we nu even op wachten. Als we ruim een uur hebben gewacht, ga ik toch maar eens navragen waar we uiteindelijk op zitten te wachten en hoe lang het nog gaat duren.
In plaats van het beloofde uurtje komen er nog twee uur bij. Er schijnen meer mensen te wachten tot ze de kamer op kunnen, maar behalve een Zwitsers meisje kunnen we niemand ontdekken. De griet achter de balie is niet iemand om over naar huis te schrijven en het chagrijnige wicht doet geen enkele moeite om ons ook maar een beetje aardig te woord te staan. Het is een soort kiezen of delen en het interesseert haar niet dat we al ruim twee uur aan het verdoen zijn. De hele organisatie van het hostel laat trouwens te wensen over. De twee schoonmaaksters werken zo ongeorganiseerd, dat het eigenlijk niet verbazingwekkend is dat het allemaal zo lang moet duren.
We gaan weer op de binnenplaats zitten, want ondanks de hoogte, is het wel erg mooi weer en heerlijk warm in het zonnetje.
We zijn uiteindelijk wel blij met onze nieuwe kamer, want deze is een stuk groter en lichter dan het hok waar we vannacht geslapen hebben. Natuurlijk hebben we wel de twee extra dekens meegenomen, want ondanks dat de zon lekker de kamer in schijnt, is hier ook geen verwarming. De douche is weer een verhaal apart. Het hostel is nog niet eens helemaal klaar, overal steken nog kabels uit de muren en nergens zijn nog de geplande bedlampjes gemonteerd, maar van de douchecabine ontbreekt al een deur. En aangezien er wel veel water uit de douche komt en ook hier het putje weer eens niet op het laagste punt in de badkamer zit, staat in no-time de hele badkamer blank.

PotosiWe blijven lekker een tijdje op onze kamer hangen en Pam maakt de verhaaltjes van onze rondrit bij Salta verder af. Intussen maken we kennis met een typisch Boliviaans verschijnsel: de hoempaband. Luid toeterend en trommelend komt er een heel orkest onder ons raam langs. Het is dat we geen dutje deden, anders hadden we zo ongeveer rechtop in ons bed gezeten. Later komen we er achter dat de fanfare niet alleen in Potosi populaire is, ook in andere plaatsen horen we met de regelmaat van de klok toeteraars en trommelaars voorbij komen.
Halverwege de middag jaagt de honger me de straat op en ga ik op zoek naar een bakker. Overal in Zuid-Amerika vond je bakkerswinkels of kon je in de kleine supermarktjes op de hoek van de straat wel brood krijgen. Hier is niks, maar dan ook niks te vinden. Over de telefoonwinkels en kappers struikel je bijna, maar wat ik zoek is werkelijk onvindbaar. Zelfs op de markt, waar ik volgens het meisje van het hostel heen moet, is geen stuk brood te zien. En dat is best raar als je er vanuit gaat dat we ’s morgens toch echt vers brood bij het ontbijt kregen. En het is ook erg handig als je bij diverse lokale mensen navraag doet, dat ze je prompt allemaal een andere kant op sturen. Ik loop een klein uurtje rond op zoek naar iets eetbaars, als ik dan toch eindelijk een bakker weet te vinden. Geen grote borden aan de muur met daarop ‘Panaderia’, maar ergens een gat in de muur waarachter zich een winkel bevindt. De broodjes blijken oudbakken te zijn, maar gelukkig heeft het hostel een keuken waar ik de broodjes in de oven opwarm en ondertussen een paar eieren kook, waarvan wel een overvloed op de markt was.

Aan het einde van de dag hullen we ons in de warme kleding. Pam heeft inmiddels dag en nacht haar thermokleding aan en ik zit in mijn dikke winterjas voor de tv, anders is het op de kamer echt niet uit te houden. Vreemd dat ze hier geen verwarmde gemeenschappelijke ruimte hebben, waar je ’s avonds lekker voor de buis kan zitten of een biertje kan drinken. Maar blijkbaar is het moeilijk om je als hostelbaas in de gedachte van een toerist te verplaatsen en gaat men uit van de eigen omstandigheden. Wij trekken gewoon een extra trui aan en dan moet die toerist dat ook maar doen. Echt een gemiste kans, want het is een ideale manier om alle gasten van het hostel binnen te houden en wat extra’s te verdienen.

We willen nu eigenlijk de mijnwerkerstrip doen, maar het is zondag en dan wordt er in de mijnen en op de markt niet gewerkt. Geen trip dus en we houden weer een luierdag. Met de tijd die we nog hebben om Bolivia en Peru te zien, hebben we geen haast en kunnen we ons dagen niksdoen permitteren. In het zonnetje op de binnenplaats is het prima uit te houden en we sluiten de laptop aan om een paar uur te internetten. Je moet toch wat.

Waar is het stuur?Vandaag is toch echt het laatste dagje in Potosi en we gaan de beroemde mijnen in. Eerst worden we meegenomen naar een huis en daar hijsen we ons allemaal in beschermende kleding (tegen het vies worden), krijgen een paar rubberlaarzen (tegen het water in de mijn) en een helm.
Een busje brengt ons naar de mijnwerkersmarkt om kadootjes te halen voor de mijnwerkers. Niet dat het echt veel voorstelt, meer dan een rits winkeltjes in een straatje is het niet, maar alles wat een mijnwerker nodig heeft is hier te krijgen. Cocabladeren tegen de vermoeidheid en de honger, pure alcohol om te drinken, oplaadpunten voor de mijnwerkerslampen, allerlei gereedschap en ook dynamiet gaat hier gewoon over de toonbank. Voor nog geen twee dollar ben je al de bezitter van een heuse staaf dynamiet met lont en ontsteker.
Het busje nodigt uit tot enige uitleg. De gids vraagt of ik voorin kom zitten en daar zit een vreemdsoortige inrichting van het dashboard. Ik rechts, met kilometerteller, toerenteller en handrem. De gids links, met handschoenenvak én stuur. Blijkbaar heeft het busje ergens een eerder leven gehad, in een land waar links gereden werd.

Bij de mijn krijgen we uitleg over hoe één en ander in zijn werk ging en gaat. Ondanks dat de mijn al een paar honderd jaar in gebruik is, wordt er nog steeds voldoende erts uit de grond gehaald om rendabel te kunnen zijn. De berg is ondertussen al ruim driehonderd meter lager geworden, want vroeger lag vooral puur zilver vlak onder de top en werd de berg gewoon afgegraven. Tegenwoordig wordt erts vanaf grote diepte uit de grond gehaald en is er ook geen sprake meer van pure erts, maar van een mix van diverse mineralen in een veel lagere concentratie dan vroeger. Degene die nu nog op een ader van massief zilver stoot, het duurste metaal dat hier gedolven wordt, is dan ook meteen binnen en kan zich permitteren om te stoppen met werken.
Vroeger werd de boel gerund door de Spanjaarden en zij maakten gebruik van Indiaanse slaven. Die moesten onder de meest erbarmelijke omstandigheden en met de meest primitieve middelen het erts delven. Een hele week zaten de slaven in het donker in de mijn, met niet meer dan een lampje dat brandde op lamavet en daarna kregen ze een week de tijd om bij te komen. Later heeft de overheid de mijn geruime tijd geëxploiteerd en intussen is deze in privé handen overgegaan.
Eigenlijk is er geen sprake van één mijn, maar zijn er tientallen. Elke mijn is een coöperatie en mijnwerkers kopen een claim in de berg. Vervolgens worden de opgegraven mineralen coöperatief doorverkocht aan één van de vele smelterijen in de omgeving van Potosi. Het is hard werken, want het meeste werk gebeurt nog gewoon met de hand en het gemiddeld loon van een mijnwerker 3e klas, degenen die eigenlijk gewoon het graaf- en transportwerk doen, bedraagt slechts veertig Boliviano per dag. Dat is maar zo’n vijf en een halve dollar. Alleen mijnwerkers 1e klas kunnen een redelijke boterham verdienen, zij worden betaald naar gelang de opbrengst van het verkochte erts. Maar dan moet niet ineens de markt inzakken, zoals een maand geleden gebeurd is. Ineens verdient men voor hetzelfde werk nog maar de helft.

We krijgen allemaal een mijnwerkerslamp en lopen in ganzenmars de mijn in. De tunnel kronkelt zich de grond in en is op sommige punten erg laag. Voor de kleine Bolivianen is dat geen probleem, maar voor mij houdt het in dat ik hele stukken gebukt moet lopen.
In mijnwerkerskledingDe tunnels zijn bijna nergens recht en dat heeft een reden. De eigenaar van de claim probeert natuurlijk zoveel mogelijk erts uit de grond te halen en geen waardeloze stukken steen. Daarom worden ertsaders letterlijk gevolgd en kronkelen de gangen zich kris kras door de berg. Het is een waar doolhof en als je de weg niet weet, is het geen enkel probleem om hier te verdwalen.
Nadat we anderhalf uur door de tunnels gelopen, gekropen en geklommen hebben, staan we weer aan het oppervlak. Het is goed voor te stellen dat het erg zwaar en vuil werk moet zijn en dan ook nog onder erbarmelijke omstandigheden. Veel mijnwerkers sterven dan ook op jonge leeftijd aan het stof en de giftige dampen die ze tijdens de jaren in de mijn inademen. In Nederland of Europa is het ondenkbaar dat mensen onder deze omstandigheden in een mijn zouden werken. Hier is heeft men vaak geen keus.

In het centrum lopen we nog een rondje en blijven even op de Plaza hangen. Zoals in zoveel Zuid-Amerikaanse steden is dit het centrum van het leven en is er vaak veel te zien.
’s Avonds eten we pizza met onze jassen aan en verbazen ons over de winkels. Velen zijn nog open op dit tijdstip en meer dan een gat in de muur is het vaak niet. Van deuren is geen sprake en met alleen een rolluik wordt de boel ’s nachts afgesloten. De winkeljuffrouw staat ook in haar jas en van lekker shoppen of kleding passen kan in deze kou toch geen sprake zijn. Het blijft zo wie zo vreemd dat met deze temperaturen zo veel huizen en winkels gewoon openstaan. Ook taxichauffeurs rijden meestal met alle ramen open, terwijl het kwik bijna het vriespunt raakt.
Wij kunnen in elk geval opwarmen onder onze hete douche en duiken op tijd onder onze extra dekens. Morgen is er weer een dag.


Vorige verhaal                                                  Volgende verhaal

 Enkeltjebangkok filmnieuws