Op het busstation worden we verwelkomd door een vreemdsoortige delegatie. Bij de bus staat een juffrouw die onze vingerafdrukken neemt en over haar schouder staat een man ons te filmen. En nee, niet omdat wij nu zo beroemd zijn, maar alle passagiers mogen dit ondergaan. Blijkbaar maakt men zich hier zorgen om de veiligheid?
Een heuse stewardess ratelt nog een heel verhaal in het Spaans af en dan zijn we klaar voor vertrek. Geen idee wat voor belangrijk nieuws ze ons allemaal te melden had, want het toilet kunnen we zelf wel vinden en verder rest ons niets dan zitten en de uurtjes weer voorbij laten tikken. Als het goed is, zijn we morgenochtend rond vijf uur in Arequipa.
We hebben ons net geïnstalleerd voor een dutje als de stewardessen-juffrouw opnieuw binnen komt en een plankje op onze armleuningen zet. Een vreemdsoortige lauw prutje in een bakje wordt geserveerd en dan mogen we de stoel in standje lui zetten. Hoe het landschap onderweg is? Geen idee, het is pikkedonker en we gaan een dutje doen.
Klokslag vijf uur rijden we het busstation van Arequipa binnen en verdorie, ook hier is het koud. Oké, niet zo koud als in Potosi, Sucre, La Paz en Cusco, maar toch…
Het leven in Arequipa begint duidelijk niet op dit onchristelijke tijdstip. De straten zijn uitgestorven, het is nog donker en lelijke rolluiken sieren het straatbeeld. Het is dat ik me nog van het vorige bezoek aan deze stad herinner dat het er best mooi was, anders zouden we nu het liefste gelijk omdraaien en op de volgende bus naar elders stappen. De taxichauffeur weet ons gelukkig bij een hostel te droppen en hij duwt op de bel totdat er iemand open komt doen. We duiken nog een paar uurtjes in bed en tegen negenen ziet de wereld er een stuk aantrekkelijker uit. Het is strakblauw, het zonnetje schittert en op straat is het nu een drukte van belang.
Het wandelingetje door de stad voert ons natuurlijk eerst naar de Plaza en vanaf een balkon hebben we een mooi uitzicht over de stad en vooral de besneeuwde bergtoppen aan de horizon. De Plaza is hier duidelijk the-place-to-be en het mag gezegd worden, alles ziet er op en top uit. Dat is gelijk anders als we het centrum uitwandelen richting busstation. Kapotte stoepen, afgebladderde panden en een algeheel rotzooitje. Morgen nog een dagje hier en dan gaan we verder. Kijken of we ergens de echte hitte kunnen vinden.
Colca Canyon met de condors laten we aan ons voorbij gaan. Condors hebben we bij de Torres in Chili al gezien en Frits heeft ons overtuigd dat het landschap en de bergen rondom Machu Picchu zo veel mooier en indrukwekkender zijn dan de canyon, dat we een dagtochtje laten voor wat het is.
Een paar straatjes achter ons hostel bevindt zich dé restaurantbuurt van Arequipa. Maar dat deel van de stad bereiken we niet eens. El Turko Kebab doet ons watertanden. Broodjes kebab in plaats van alsmaar die frieten met gebakken kip. Oké, de kebab is hier ook van kip, maar het smaakt overheerlijk. Na één broodje is het nog niet genoeg voor Ries en de tweede ligt een paar minuten later op zijn bord.
De kou dwingt ons toch kort daarna weer naar binnen en opnieuw halen we de dekens van de andere bedden in onze kamer om te voorkomen dat we ’s nachts wakker worden van de kou. En voor de zekerheid trek ik voor de zoveelste nacht de thermokleding aan. Bij elke nieuwe bestemming denk ik ‘jippie, vannacht in de roze slaapjurk zonder mouwen’, maar tot op heden bleek elke bestemming toch het zwarte skipak te zijn.
Ondanks dat het hostel helemaal niet zo bijzonder is, slapen we (natuurlijk) weer erg fijn. Het is zondagochtend en de deuren van de kerken rondom de Plaza staan allemaal open voor de missen die bezig zijn of nog gaan beginnen. We kijken even binnen en ondanks dat ze in prima staat zijn en goed onderhouden, lijken ze in geen enkel opzicht op de overdadige kerken met hun gouden tierelantijnen in bijvoorbeeld Bolivia en Brazilië.
In Arequipa staat een heel oud klooster, het Monasterio Santa Catalina. Het dateert uit 1580 en werd bewoond door grote groepen nonnen. Momenteel wonen er nog zo’n dertig nonnen, maar zij leven in het nieuwe klooster en het oude deel is gerestaureerd en sinds 1970 voor het publiek toegankelijk. Het is een enorm bouwwerk met kleine kleurrijke steegjes, pleintjes, binnenplaatsen en geblokkeerde trappen, waar we een paar uur ronddwalen. Waarschijnlijk was er niks mis mee, om hier als non te wonen, hoewel de verblijven er erg Spartaans uitzien. Niks geen luxe of vrolijkheid maar grauwe kelderachtige vertrekken met een bed, een stoel, een kandelaar en natuurlijk een of andere religieuze afbeelding. Je zou er een geweldig mooi en sjiek hotel van kunnen maken, maar dat is vast niet wat de nonnekes zich heden ten dage voor ogen hebben.
Op zoek naar een restaurantje belanden we – hoe kan het toch – weer bij de kebabtent. Het eten was lekker en kostte ook nog eens maar een handje vol Sollen en waarom zouden we dan moeilijk gaan zoeken? Vanavond dus weer kebab en daarna vroeg onder de wol. Morgenochtend vertrekt ons busje om kwart over vijf.
Op het busstation is het ook nu al een drukte van belang. Hordes mensen hangen, zitten en liggen zo ongeveer op en tussen hun bagage. Dat we een goedkoop ticketje op de kop getikt hebben, blijkt wel als we instappen. De beenruimte is zo ongeveer de helft van die tijdens de laatste tocht en er wordt geteut tot en met. Nog even denken we dat de bus niet vol zit, als we het terrein afrijden, maar gelijk aan de overkant van de weg draaien we het volgende busstation op. Dit is het eigen station van onze busmaatschappij en de grote groep wachtenden met bagage belooft weinig goeds. Tegen kwart voor zes zijn we dan eindelijk klaar voor vertrek. Op naar Nasca, zo’n tien uur verderop.
Het voordeel van reizen overdag is dat we nu wel iets van het landschap kunnen zien en het is een verbazingwekkend tafereeltje wat aan ons voorbij trekt.
Het eerste deel is saai en kleurloos en dan ineens draaien we een bocht om en daar ligt de zee voor ons in de zon te schitteren. Diepblauw water, zo ver als we kunnen kijken. De weg loopt een heel groot deel van de route evenwijdig aan het water en hier voel je je echt in twee werelden. Links van ons de Pacific en rechts een heuse woestijn. Geen granieten bergen, kleien of stenen, maar een echte woestijn met duinen van opgewaaid zand in vreemdsoortige vormen en met lijntjes motieven. Kilometers ver, alleen maar zand, zand en nog eens zand.
Ergens stoppen we voor de lunch en terwijl onze medereizigers het restaurant binnen gaan (keus uit één, verder is er niks), lopen wij naar het water. Dit is duidelijk geen plek om te zwemmen. Grote rotsen reiken tot aan het strand en forse golven komen onze kant op. Het water knalt met zo veel geweld op de stenenmassa dat we op veilige afstand blijven, maar een mooi schouwspel is het wel. Intussen waaien we hier zo ongeveer weg en af en toe komen er flinke zandhozen mee. Voor de honderdtigste keer vragen we ons af waarom iemand hier besluit te gaan wonen en een restaurant te openen.
Kilometers lang zien we geen mens en dat is niet wonderbaarlijk. Er is niks om van te leven en behalve zandkastelen kun je hier weinig bouwen. En dan ineens doemt er af en toe een strookje groen op. Het lijken van die hele kleine oase’tjes en dan zijn er meestal ook wel een paar huisjes te vinden.
Het zonnetje doet goed zijn werk en allebei hebben we voor het eerst sinds zo’n anderhalve maand het gevoel dat we in een gebied aangekomen zijn waar de temperatuur aangenaam is en vooral blijft.
En als we na ruim tien uur in Nasca ergens aan de doorgaande weg uitstappen, is het eerst wat we doen (nadat we natuurlijk een hostelverkoper verjaagd hebben) de fleece jassen en t-shirts met lange mouwen uittrekken. In Arequipa vonden we een flyer van een hostel in Nasca met de veelbelovende naam ‘Hospedaje Brabant, Peruvian-Dutch owned’ en daar besluiten we een kijkje te nemen. Altijd leuk om onderweg bij een landgenoot langs te gaan.
De man blijkt de Peruaanse helft van het stel te zijn en zijn vrouw komt uit Eindhoven en heeft bijna twintig jaar in Den Bosch gewoond. En geloof het of niet, in een straat net achter het paleis.
Hoewel het hostel klein is en we geen eigen badkamer hebben, besluiten we toch te blijven. Allebei hebben we geen zin in opnieuw een wandeling en een zoektocht en voor even is dit prima. Morgen zien we wel weer verder.
Nasca zelf is niet veel, maar we zijn zo onder de indruk van het heerlijke weer en de kleinschaligheid van het stadje, dat we al snel besluiten om morgen niet verder te reizen. Vandaag sjokken we een rondje, hangen wat op de Plaza (net als heel veel Peruvianen), boeken een vliegtripje over de Nasca Lines voor morgen en kopen de lokale supermarkt half leeg. De enorme zak chips eten we boven op ons eigen dakterras op en dan is ook gelijk de honger weg. Voor vanavond geen zoektocht naar een restaurant, maar een boterhammetje met echte kaas en dan kunnen wij er weer tegen.
Het dakterras is een soort Wifi zone. Niet dat ons hostel Wifi heeft, maar we pikken een groot aantal netwerken op. Helaas allemaal erg slecht of beveiligd. Als we er dan eentje gevonden hebben die onbeveiligd is en het redelijk doet, valt de verbinding constant weg en we lopen een beetje van links naar rechts over het terras, op zoek naar de juiste plek. Het heeft wat voeten in aarde maar Ries kan in elk geval de site bijwerken en dat toch weer mooi op de eigen laptop en nog voor niks ook. En intussen is het al later op de avond en zitten we gewoon nog buiten. Oké, wel met lange mouwen aan, maar toch. Het begin is er.
Hospedaje Brabant heeft helaas wat minpuntjes. Ons tweepersoonsbed heeft een hele vreemde bobbel in het midden (soort omgekeerd memorymatras), de douche boven geeft een zeikstraaltje en we worden vriendelijk verzocht te verkassen naar een andere kamer onder het mom dat we gezegd zouden hebben dan we maar één nachtje zouden blijven. Nu hadden we helemaal niks gezegd over onze verblijfsduur en de Peruaanse helft had ons hierover ook niks gevraagd bij het inschrijven en als de Nederlandse dame ons vraagt of dat een probleem is, zeggen we volmondig ‘ja’. Gelijk biedt ze aan dat we de kamer beneden dan wel goedkoper kunnen krijgen, als compensatie. Intussen hebben we wel besloten dat we morgen verder willen reizen en om nu voor één nachtje weer iets anders te zoeken is ons te veel gedoe.
De kamer beneden heeft zo mogelijk nog vreemdere matrassen. Hier staan twee éénpersoons bedden en de matrassen lijken wel planken. Het kan niet anders dan dat die op kop liggen. We halen het beddengoed eraf en draaien de boel om, maar ook dat helpt niks. De plank lijkt wel een balk die aan alle kanten voelbaar is en het vreemde is dat de zijkanten zachter zijn. Nadere inspectie leidt tot één conclusie. Hospedaje Brabant heeft ergens goedkoop een boxspring op de kop getikt en hetgeen wij nu in onze kamer aantreffen, zijn de onderbedden. Ergens ligt vannacht iemand heerlijk te slapen op een zachte matras. Waarschijnlijk de eigenaars…
En als we nog de ijdele hoop hadden dat onze Nederlandse hostelbazin iets typisch Nederlands in de aanbieding had, dan komen we bedrogen uit. Stiekem hoop je dan toch dat zo iemand Hollandse pot kookt of dropje, hagelslag of pindakaas heeft, maar helaas.
Netjes staan we om half negen voor ons hostel te wachten op het busje dat ons naar het vliegveld moet brengen als er een jongen aan komt wandelen. Het wordt later, weet hij te melden. Want het was vanochtend zo mistig dat alle rondvluchten vertraagd zijn. In het zonnetje nemen we ons plekje op een bankje op de Plaza weer in en uiteindelijk duurt het een uur voordat we kunnen vertrekken.
Op het kleine vliegveldje is het een drukte van belang en ondanks dat het nu nog geen hoogseizoen is, staan er tientallen mensen te wachten. Het merendeel bestaat uit Japanse toeristen, die er natuurlijk weer erg komisch uitzien met hun vreemde hoedjes, te korte broeken en uitdrukkingloze gezichten. Het zal een uurtje duren voordat wij de lucht in gaan, wordt ons verteld en in de tussentijd staan we aan de zijkant van de startbaan de activiteiten te bekijken. Zo’n elke tien minuten wandelt er een groepje van drie of vijf passagiers naar een wachtende Cesna, stukje taxiën, even wachten op een binnenkomend vliegtuigje en gas erop. Het is een leuk gezicht om zulke kleine vliegtuigjes voorbij te zien komen op de startbaan. Ze gaan niet eens hard en gelijk als ze los zijn van de grond zie je ze als het ware op de lucht dansen en in de verte verdwijnen.
Er zijn vijftien platforms voor de vliegtuigjes en vandaag zijn er een stuk of zeven in gebruik. En zelfs nu is het al lopende band werk. Mensen eruit, mensen erin en weer vertrekken. Piloten lopen af en aan en het is ze aan te zien dat dit voor hen gewoon routinewerk is. Later spreken we nog een piloot en hij vertelt dat hij gemiddeld acht tripjes per dag doet. Op topdagen vliegen er hier rond de dertig piloten. Tel uit je winst.
Als wij dan eindelijk mee mogen, is het half twaalf. Zo wordt een half uurtje vliegen ineens nog een heuse dagtocht.
Maar het tripje was het wachten zeker waard. Geen idee hoe hoog we vlogen, maar al snel laten we Nasca achter ons en zien we alleen nog maar een soort zandlandschap met hier en daar wat rotsen.
Toen we over de Panamericana hiernaar toe reden, hadden we geen idee dat we dwars tussen alle tekeningen doorreden, maar nu is het goed te zien. Onder ons verschijnt eerst een netwerk van iets wat lijkt op droge rivierbeddingen. Allemaal vertakkingen en nergens is water te zien. En dan meldt de piloot dat we rechts moeten kijken. Daar is de eerste afbeelding van een walvis zichtbaar.
Het is moeilijk om te omschrijven hoe het er van boven precies uitziet. Maar de afbeeldingen zijn in elk geval heel goed zichtbaar en het kan niet anders dan dat alle individuele tekeningen al minstens enkele tientallen meters in doorsnee moeten zijn. En zo liggen ze er al honderden jaren bij, de vreemde afbeeldingen van een hond, een spin, een aap, vogels en andere vreemdsoortige tekeningen die later een naam hebben gekregen zoals ET. Wat heeft die Inca’s toch bezig gehouden, dat ze zo’n onherbergzaam landschap introkken en de bovenste laag aarde gingen verwijderen om zo afbeeldingen te maken, die vanaf de grond niet eens zichtbaar waren. Wij vliegen er nu vrolijk overheen, maar zij? Zij hebben hun eigen creativiteiten nooit in z’n geheel kunnen zien.
Het tochtje duurt een klein half uurtje en allebei zijn we blij dat we dit gedaan hebben. Het is zeker de moeite waard om zo iets bizars met eigen ogen te kunnen zien. Dwars door het landschap loopt één rechte geasfalteerde lijn, dat is de Panamericana en verder zie je alleen maar lijnen die in het zand getrokken zijn. Sommigen zijn zo breed en in bijvoorbeeld een rechthoekige vorm gemaakt, dat ze wel iets weg hebben van een start- en landingsbaan. Anderen ogen als een doolhof of ze lijken gewoon lukraak ergens neergezet te zijn en wij zien er in elk geval geen verband in. En tussen die wirwar van lijnen zijn dan de duidelijke afbeeldingen te zien.
Twee afbeeldingen zijn heel dicht bij de doorgaande weg en daar staat ook een soort uitkijktoren. Aan de auto’s die erbij staan kunnen we een beetje de verhoudingen tussen de tekeningen en het landschap aflezen.
Onze piloot lijkt hier letterlijk op de automatische piloot te werken. Bij elke tekening wijst hij ons even op de afbeelding maar meer achtergrondinformatie krijgen we niet. Misschien heeft hij dit riedeltje al wel een paar honderd keer gedaan en mogen we ook niet meer enthousiasme van hem verwachten. Hij plant het vliegtuigje in elk geval weer netjes aan de grond en dan kunnen we terug naar Nasca. Dat gaat niet zonder slag of stoot, want de man die ons gebracht heeft, is intussen vertrokken en de dame die ons vervoer terug zou regelen is in geen velden of wegen te bekennen. Uiteindelijk belt iemand een taxi en natuurlijk moet deze chauffeur geld van iemand krijgen voor het ritje. Maar niet van ons, daar zijn we heel stellig in. Dan zet hij ons er maar niet ergens op de Plaza uit maar rijdt maar even door naar onze touroperator. Kan ‘ie daar mooi zijn geld gaan vragen.
Na het vliegtochtje dolen we nog wat rond in Nasca en natuurlijk maken we even een tussenstop op de lokale markt. Groot is ‘ie niet, maar de groente en het fruit zien er prima uit en de verkopers zijn ook nog eens aardig en vrolijk. Een hele verbetering na al die chagrijnen in Bolivia. Met broodjes, kaas, tomaten en de welbekende flesje Inca Kola gaan we terug naar het hostel. Inca Kola is eigenlijk niet eens te drinken, maar het is wel dé lokale drank van Peru en daar moeten wij toch ook af en toe aan geloven. Het is een lichtgevend gele vloeistof en zonder etiket op de fles zou je het zo maar voor lampolie aan kunnen zien. Na het openen van de fles weet je echter dat het geen olie is, dan komt een damp van de ouderwetse hubabubba kauwgum je tegemoet. En na een paar slokjes – en een forse boer – voel je als eerste even aan je tanden. Of ze allemaal nog wel vast zitten. Een vreemd goedje, maar grappig is het wel en de Peruanen drinken het net als wij thuis bier drinken.
Terug op de kamer besluiten we om morgen verder te gaan. De bedden voelen zo waardeloos dat doorreizen of andere accommodatie zoeken de enige optie is. En aangezien Nasca nu niet zo’n bruisend stadje is en we de Plaza na drie keer wel gezien hebben, wordt het dus de volgende bestemming, Huacachina. Volgens het Planetenboek een ware oase. Nou, laat maar komen dan!!!
Vorige verhaal                                                  Volgende verhaal