En zo maar zijn we al weer vier dagen in Bolivia. Het blijft me elke keer verbazen hoe gemakkelijk wij ergens dagen door kunnen brengen, zonder echt veel te ondernemen. Misschien heeft het ook te maken met het feit dat we al zo lang op reis zijn, dat het aantal luierdagen alleen maar toe lijkt te nemen. Nu is Potosi ook best een aantrekkelijk stadje, maar om te zeggen dat er veel te beleven en te zien valt? En wat hier absoluut onaangenaam is, is de temperatuur. Overdag is het strakblauw – Lhasa-blauw, zoals wij het nog steeds noemen – en staat het zonnetje te schitteren. Maar ’s nachts koelt het af tot ergens rond het vriespunt. Al met al zijn we dat thuis ook best wel gewend, alleen hebben we daar een verwarming of een kachel en ramen en deuren die fatsoenlijk gesloten kunnen worden. Hier niet. De kamers zijn onverwarmd en ramen en deuren staan bij voorkeur zo lang als mogelijk wagenwijd open. In het restaurant zit je met je jas aan en winkels hebben niet eens een voordeur, alleen een rolluik. De zon lijkt hier ook een totaal andere werking te hebben dan in vele andere landen. Pal in de zon is het heet en verbrand je zonder blikken of blozen. Ga je in de schaduw zitten, dan is het fris en als de zon onder gaat, dan keldert de temperatuur in no-time. Potosi heeft natuurlijk ook nog iets anders extreems en dat is de hoogte. Het stadje ligt op 4.060 meter hoogte om precies te zijn en dat merk je aan alles. Trapje op, weggetje naar boven lopen of iets tillen? Hijgen, ademnood en een erg droge keel. Zelfs liggend in bed merk je dat je met regelmaat diep moet zuchten. En toch is het hier ook weer anders dan in bijvoorbeeld Tibet. De hoogte is vergelijkbaar maar daar braken nagels af en werden de haren statisch. Hier dan weer niet. Een intrigerend iets, het weer en klimaat, de hoogte en de invloeden op je lichaam. Gelukkig hebben we allebei wederom geen last van hoogteziekte.
Het wordt tijd dat we Potosi gaan verlaten, op zoek naar een wat lager gebied en als het even kan, ietwat warmer. We checken uit in het hostel en doden de rest van de wachtuurtjes met internetten. De juffrouw achter de receptie vertelt ons nog maar eens eventjes dat dat twee Boliviano per uur kost. ‘Ja juffer, dat weten we. Gisteren zaten we hier ook en het begint ons erg te storen dat alle vragen die je stelt hier gelijk beantwoord worden met een bedrag. En dat jouw geheugen een zeef is, is ook niet echt positief voor een receptioniste’. Gisteren heeft ze voor Ries de buskaartjes geregeld en vandaag vraagt ze waar we naar toe gaan en hoe laat onze bus gaat. Stomme chagrijnige doos!
We parkeren de rugzakken pontificaal voor de deur van het hostel en wachten tot er een lege taxi voorbij komt. Zelfs het wandelingetje met bagage straatopwaarts naar de Plaza is hier al te veel gevraagd en het is prettig dat taxi’s werkelijk geen drol kosten.
Vol nieuwsgierigheid bekijken we de bussen die op het station klaar staan. Elke keer is het weer een verrassing hoe het vervoer er in een land aan toe gaat en vooral wat de kwaliteit van de bussen en de wegen is. Nu zijn we door alle verhalen van mensen om ons heen misschien al wel te angstig geworden. De rit hier naar toe was een eitje en de bus was van prima kwaliteit. Natuurlijk niet zoals in buurlanden Argentinië en Chili, maar het kan erger, vele malen erger. Wij hebben Moyale – Isiolo in Kenia overleefd en met Mozambique nog vers in ons achterhoofd valt alles daarna mee, zo ook Bolivia.
Onze bus nu is helaas van het formaat half-bus en de beenruimte is heel erg beperkt. Gelukkig kunnen we verkassen naar de achterbank en Ries kan zijn benen in het gangpad strekken en ik kan schuin zitten, waardoor we een prima ritje hebben. Het landschap waar we doorheen toeren is bergachtig, met links en rechts wat dorpjes en gehuchten. Langs de weg is het geen drukte van belang. Geen kinderen of mensen met spullen, op fietsen of te voet, en het geheel ziet er best netjes en verzorgd uit. Natuurlijk is het goed zichtbaar dat dit het platteland is, maar het geeft ons niet het gevoel van erge armoede. Er wordt veel op het land gewerkt en overal groeien gewassen. Nee, tot op heden voldoet Bolivia nog steeds niet erg aan onze verwachting. Maar gelukkig is dat nu niet erg, aangezien die verwachting zoals eerder gezegd, samen hing met grote armoede, krakkemikkige bussen en alleen maar onverharde wegen.
Het is een heerlijk ritje en met het hoofd in het zonnetje doezelen we af en toe weg en drie uurtjes later stopt de bus in het centrum van Sucre. Ook deze stad ziet er mooi en verzorgd uit, met vele koloniale gebouwen en uitstekend onderhouden parken. Sucre ligt een stukje onder de 3.000 meter en dat is gelijk goed te merken. Hier is het lopen met de rugzak aanzienlijk minder vermoeiend en te voet gaan we dan ook op zoek naar een hostel.
Recht tegenover de markt vinden we een aardig hostel en daar nemen we onze intrek. Ries heeft een vertaalklusje via thuis ontvangen en de rest van de avond zit hij over de laptop gebogen. Voor het eerst in twintig maanden tijd ineens weer ‘echt’ werk doen en nog betaald ook. Ik opper nog even dat hij wel wat meer van dat soort klusjes aan mag nemen en dat we ons ticket vanaf Aruba naar huis dan gewoon een paar maandjes verplaatsen, maar dat idee vindt geen gretige aftrek. Terug naar huis voelt voor mij nog steeds als een grote tegenstrijdigheid, maar Ries is al een stap verder en hij heeft af en toe al echt zin om naar huis te gaan. Vertaalwerk en inkomen kan daar schijnbaar niks aan veranderen.
Bij een kraampje om de hoek halen we voor maar liefst één hele dollar per stuk lomito’s. Broodjes met een gebakken stukje vlees, sla, tomaat en een sausje. En het smaakt nog heerlijk ook. Het is een race tegen de klok maar net voor het internetcafé om 23.00 uur sluit, vliegen we naar binnen en kan Ries zijn documenten doormailen. Daarna gaan we lekker een dutje doen.
De volgende ochtend doen we bar weinig. Ries mailt wederom wat heen en weer en ik lees en maak een fotoalbum op de laptop. Vandaag is China aan de beurt en zelfs een jaar na dato is het al weer heel leuk om al die foto’s te zien en herinneringen op te halen. China, het lijkt wel een apart continent, met de chaos, de miljoenen Chinezen en de vreemde gewoontes en gebruiken. Maar - en dat hebben we al vaker tegen elkaar gezegd - een land waar we zeker nog eens naar terug willen.
Het is al aan het einde van de middag als we op pad gaan om de stad te verkennen. En het kan niet anders gezegd worden dan dat Sucre een mooi stadje is, of in elk geval het centrum en tevens oude gedeelte. De meeste koloniale panden zijn mooi opgeknapt, overal zijn winkeltjes, kraampjes en restaurantjes, de trottoirs zien er goed uit en op de Plaza barst het van de bankjes, mooie perkjes en kiosko’s. Het is werkelijk een drukte van belang en je struikelt zo ongeveer over de voetgangers en uitstallingen die op de stoepen staan.
Tegenover ons hostel is de Mercado Cental en markten blijven nog altijd een magische aantrekkingskracht op ons hebben. Naar binnen dus. Het eerste deel is niet overdekt en dat is de fruitafdeling. Vol verbazing staren we naar de enorme hoeveelheden en soorten fruit. Alles ziet er even mooi en glanzend uit en we snappen er steeds minder van hoe het toch mogelijk is dat er in bepaalde delen van Argentinië geen fatsoenlijk fruit of groente te verkrijgen is, terwijl in dit land een overvloed te vinden is. Achter één van de kraampjes zit een knulletje, misschien nog geen tien jaar oud. Daar kopen we een paar appels, even de vitamientjes aanvullen.
Een stukje verderop worden we aangesproken door een lokaal vrouwtje. Geen idee hoe oud ze is, maar ze heeft een baby op de arm. Eerst lijkt het alsof ze ons steeds maar vraagt of we ook bij haar iets willen kopen. Oh, denken we nog, dan zal zij ook wel ergens een fruitkraampje hebben. Maar dan blijkt het om het kind te gaan. Of we de baby niet willen kopen? Ze heeft in totaal tien kinderen en deze tiende schijnt the limit te zijn. Het is een guitig kind, wat alleen maar lacht en we hopen van harte dat het een grap is, hoewel ze erg aandringt. Het is toch niet waar dat ze hier bereid zouden zijn om hun kinderen te verkopen aan blanke toeristen? Wat zou er gebeuren als we zouden zeggen ‘oké, en hoeveel moet dat kosten?’ Brrr, ik krijg er de kriebels van. Terwijl ze maar steeds op ons wijst en ‘die papa en mama’ roept en naar de baby gebaart, kijken wij elkaar aan, ‘wegwezen hier’.
Binnen belanden we bij de afdeling groente en daar is het bijna uitgestorven. Blijkbaar is het vandaag geen goede marktdag of zijn we te laat. De verkoopsters hangen een beetje lusteloos in hun kraampjes en er kan geen glimlachje vanaf. Nu hadden we dat overigens in die paar daagjes in Bolivia al gemerkt. Bolivianen blinken nu niet echt uit in vriendelijkheid of openheid. Misschien speelt het mee dat we hier echt op de toeristenroute ofwel de Gringo trail zitten en dat de lokale bevolking al die toeristen meer dan beu is, maar aan de andere kant hebben ze geen moeite met de vele gelden die hierdoor binnen komen. Nee, Bolivianen weten ons hart niet te stelen, ondanks de vaak mooie en traditionele kleding die vooral de vrouwen dragen. Met een beetje weemoed halen we ter plekke herinneringen aan de markt in Ashgabat in Turkmenistan op. Waar de marktvrouwen met hun gouden tanden ons breed glimlachend aanstaarden en zelfs ruzie maakten wie er op de foto mocht. Vervolgens werden hele gesprekken in onverstaanbaar Russisch met ons gevoerd en moesten we ondefinieerbare dingen proeven.
Na het fruit belanden we bij de sectie vlees. En nee, niet zoals je zou verwachten hompen vlees op vieze tafels met hordes vliegen eromheen. Alles ziet er netjes schoon uit en er zijn zelfs koelingen. Maar wil je een hele koe, dan kun je die hier zo halen evenals varkenspoten. De afdeling drogisterij verkoopt shampoos, wattenstaafjes, tandpasta en zelfs blonde haarverf. Op de bovenste etage is de ‘foodcourt’, een ietwat te nette naam voor kraampjes en stalletjes waar van alles te koop is wat eetbaar is. Maar daar wagen we ons nu nog even niet aan. Via de bloemen, huishoudelijke artikelen, kaarsen en taarten komen we weer terug op de straat. Shoppen doe je hier duidelijk in delen. Een supermarkt of iets wat erop lijkt is nergens te vinden, maar met wat speurwerk moet het wel lukken om al je spullen bij elkaar te sprokkelen.
En dan wordt het echt tijd om op bezoek te gaan bij de Nederlandse kroeg. Want daar verkopen ze bitterballen, hebben we gehoord. Het hele interieur en de aankleding oogt alsof de kroeg zo ergens in Den Bosch zou kunnen staan. Gelukkig niet met foto’s van het koningshuis of Nederlandse vlaggen, maar verder is er weinig Boliviaans aan. De bitterballen zijn niet echt geweldig, zelfs niet na twintig maanden geheelonthouding, maar het is een aangename stek om te zitten. Biertje, rosétje en voor we het weten is het etenstijd. Met Koos Alberts op de achtergrond verorbert Ries een saté, waarvan de satésaus volgens hem net als thuis smaakt en dan wordt het tijd om richting hostel te keren. Ons plan om in Sucre wat rond te wandelen is niet echt van de grond gekomen. Verder dan de markt en de Nederlandse kroeg zijn we niet gekomen. Maar ach, dan blijven we gewoon toch nog een dagje langer?
In sommige landen hebben we gelijk al voor ogen wat we allemaal willen doen of willen gaan zien. Maar nu in Bolivia hangt onze planning nog steeds een beetje van houtje touwtje aan elkaar. Da’s eigenlijk niet meer dan een nette manier om te zeggen dat de planning geheel ontbreekt. We bladeren wat door de Planet en besluiten dat Cochabamba onze volgende stop gaat worden, een kleine twaalf uur noordwaarts.
Recht voor de deur van ons hostel is de lokale busopstap en het is een drukte van belang. Alleen blijft het onduidelijk waar de bussen nu precies heen gaan. We besluiten een stukje te wandelen, in de hoop dat we dan ergens een wat mindere drukke bus tegenkomen, waarvan de chauffeur ons kan vertellen hoe we op het busstation moeten komen. Voor het bedrag van iets meer dan tien eurocent per persoon stappen we uiteindelijk op een busje wat ons netjes voor de deur van het station afzet. En daar is het totaal verlaten op dit tijdstip, halverwege de middag. Er zijn tientallen loketjes waar kaartjes voor bestemmingen door ’t hele land verkocht worden. De juffrouw van een soort Tourist Info weet ons te vertellen dat we een specifieke maatschappij moeten hebben, want dat is de beste en die heeft de meeste beenruimte. Met de tickets voor stoel 3 en 4 in de hand verlaten we het station. Morgenavond om zeven uur vertrekken we naar Cochabamba.
In al die maanden hebben er geloof ik nog maar één keer ergens een stadstoer gedaan. Dat was in Singapore en toen wisten we natuurlijk nog niet zo goed hoe het allemaal werkte én, die toer was gratis, dus niet te missen. Daarna hebben we het altijd anders aangepakt als we de stad wilden bezichtigen. Gewoon ergens op een willekeurige bus stappen en onderweg uitstappen als we iets leuks zagen of meerijden tot het eindpunt en dan een busje terug nemen. De bus waar we nu inzitten slingert zich door de stad en zo zien we ook wat meer van de buitenwijken van Sucre. De drukte en chaos laten we al snel achter ons en dan weerkeert de rust, heerlijk. Net nadat we een bloemenmarkt gepasseerd zijn gebaart de chauffeur dat we bij de eindhalte zijn. We zitten redelijk hoog op een berg en een stukje onder ons ligt de drukke bebouwing van Sucre. Maar waar we zijn? Geen idee. We lopen terug naar de bloemenmarkt en verbazen ons ook daar weer over het aanbod en de kwaliteit. Waarom er hier op deze plek nu zo veel bloemenkramen moeten zitten, is niet echt duidelijk. Dikke vrouwen in de vrolijke knierokken met kniekousen en het gevlochten haar hangen wat verveeld achter hun stalletje en duiken zo ongeveer weg als ze ons met de camera zien. Als we een hoek omgaan, wordt wel duidelijk wat die bloemen hier allemaal doen. We zijn bij een groot en indrukwekkend kerkhof beland. Net zoals de markten zo’n aantrekkingskracht uit blijven oefenen, doen de begraafplaatsen dat ook. Daarin zie je vaak wat tradities en gewoonten zijn en hoe de locals met leven en dood omgaan. Dit is een begraafplaats waar we onze ogen uitkijken.
Hoewel hij niet eens echt heel groot is qua oppervlakte, liggen er duizenden mensen begraven. Blijkbaar hebben ze hier een oplossing gevonden voor de beperkte beschikbare grond. De overledenen worden als het ware in flats begraven. Overal staan hoge rechte gebrouwen van een meter of twee tot drie diep en met een hoogte van zo’n vijf meter. De hele voorgevel beslaat met gemak tientallen meters en is voorzien van allemaal deurtjes die precies groot genoeg zijn om een kist in de schuiven. Als broodjes liggen ze hier boven en naast elkaar. De deurtjes zijn van glas en soms voorzien van erg lelijke marmeren tierelantijnen. Je mag wat vinden van die hoogbouw, maar slim is het wel en er is nog één ding wat je de Bolivianen na mag geven. Ze weten hun graven te onderhouden. Nergens enige vorm van verval of vervuiling en hier is te zien dat de vrouwen van de bloemkraampjes goede zaken doen. Bijna overal staan bloemen en niks geen smerig groen water, droge blaadjes of geknakte bloemen. Gewoon vers en goed verzorgd. Het is een oase van rust en we vergelijken alles hier eens met Recoletta in Buenos Aires. Oké, hier ligt dan geen bekende mevrouw met de naam Evita Perón, maar verder kunnen ze daar nog een puntje zuigen aan het onderhoud en de geweldig mooie uitstraling hier. Je zou bijna vergeten dat je in Bolivia bent. Dat was toch dat land van armoede en chaos?
Met de bus gaan we terug naar het centrum en daar gaan we op zonnebril- en jassenjacht voor Ries. De zonnebril heeft in Brazilië al het loodje gelegd en met de felle zon hier is een bril echt geen overbodige luxe. Nu lijkt het net alsof die bril stuk gegaan is, maar waarschijnlijk staat hij nu ergens bij een Braziliaan op het hoofd, want de bril was in de bus blijven liggen. Een heuse Rayban uit Bangkok. Echt jammer, zo maar drie dollar kwijt!!!! Brillen verkopen ze hier in overvloed en een paar minuten later is Ries de trotse eigenaar van een nieuw exemplaar, die het ook nog prima als haarband doet. De jassenjacht gaat wat minder voorspoedig. We struinen diverse winkels af maar meestal verkopen ze geen maat XXL. Bij één winkeltje heeft de dame een soort fleece jas en dat ding past goed. ‘Aan twee kanten te dragen’, zegt ze. En daarom natuurlijk ook duurder, hoewel wij tien euro voor zo’n ding na wat onderhandelen nog steeds niet veel geld vinden. Maar zoals het echte backpackers betaamt, gaan we verder speuren om te kijken of we hem ergens goedkoper kunnen vinden. Kleding genoeg hier, maar geen fleece jas XXL meer en we besluiten terug te gaan. Nu is ineens de broer van de dame in de winkel en hij blijft stug volhouden dat het ding 130 BOB moet kosten, terwijl we hem een uurtje terug al voor 100 konden krijgen. Als we enigszins gepikeerd weglopen en de dame de discussie met haar broer aangaat, krijgen we hem toch voor 100. Zo, heeft Ries ook weer een lekker warm dekje en het is nog een leuk ding ook.
Via de markt shoppen we nog wat broodjes en vleeswaren voor het ontbijt voor morgenochtend, maar als we op de kamer zijn en aanvallen op de broodjes, is het ontbijt gelijk weg. En de zin om straks nog uit eten te gaan trouwens ook.
Sucre is echt een mooi en relaxed plaatsje en een beetje rondhangen op de Plaza of in één van de vele andere parkjes lijkt dan ook een dagelijkse bezigheid en tijdverdrijf van menig Boliviaan. En het is niet moeilijk om je daarbij aan te sluiten. Eerst slenteren we wat door de stad, gaan naar het postkantoor voor postzegels, kopen kaasempañadas die smerig blijken te zijn, gaan opnieuw naar de markt en belanden dan op een bankje op de Plaza. Gelijk worden we besprongen door een aantal jonge knulletjes met hun kleine houten kistjes. De overbekende schoenpoetsertjes. Eerst wuiven we ze weg, allebei nog steeds huiverig voor de olies en andere smeerseltjes die ze vol overgave op onze bergschoenen willen smeren. Maar dat die knulletjes zo een zakcentje bijverdienen, is natuurlijk wel bewonderenswaardig en we besluiten het anders te doen. Ze kunnen onze schoenen ‘poetsen’, maar dat houdt dan in alleen het stof eruit borstelen. Knul twee zit net bij Ries als knul één ontdekt dat ‘zijn’ klanten ineens toch besloten hebben om zaken te gaan doen. Hij vliegt op ons af, er wordt wat in ’t Spaans over en weer gebakkeleid en dan gaat hij aan de slag met mijn schoenen. Ries zijn poetser is het daar natuurlijk niet mee eens en weer wordt er over en weer geroepen, alles gepaard met wilde armgebaren. Als de rust wedergekeerd is en wij met blinkende schoenen op het bankje achterblijven, melden de volgende poetsers zich. Ja, dat was te verwachten, maar nee dank je wel.
Als de zoveelste zich meldt, blijft het antwoord nog steeds ‘nee’, maar het knulletje parkeert zijn houten kistje voor onze bank en gaat zitten. Blijkbaar is een praatje als alternatief ook prima. Hij vraagt waar we vandaan komen en Ries zegt vol overgave ‘Uit het beste voetballand ter wereld’. Met een lach roept het knulletje: ‘ohhh, Brazilië dus.’ Haha, 1-0 Ries!!! Het is wel duidelijk dat jij al ruim anderhalf jaar niet thuis geweest bent. Verder vertelt de jongen dat hij op school zit en piloot wil worden. Of nee, misschien toch liever voetballer. Tja, ook hier blijven het kinderen tenslotte. ’s Ochtends gaat hij naar school en in de middag en avond komt hij naar de Plaza om schoenen te poetsen. Daarvoor moet hij eerst twee kilometer lopen en daarna nog drie kilometer met de bus. Van het geld dat hij met schoenen poetsen verdient, betaalt hij zijn eigen schoolgeld. Vijftig Boliviano per maand, nog geen acht dollar. Het liefst zou je zo’n jongen schoolgeld geven voor een paar maanden, maar nog steeds blijft het dan de vraag of het geld ook wel gebruikt wordt voor hetgeen wij bedoelen.
In het zonnetje nemen we de omgeving verder in ons op. Op het bankje tegenover ons zitten drie oudere mannen in een heftig gesprek verwikkeld. Op geen enkele manier zou je aan de buitenkant kunnen zien dat dit Bolivianen zijn. Misschien zijn ze dat trouwens niet eens, weten wij veel….! Maar dat geldt voor veel mensen hier. De traditionele vrouwen zijn heel herkenbaar en hebben zo ongeveer Bolivia op hun voorhoofd getatoeëerd staan, maar verder ogen de mensen vrij Westers. Op een ander bankje zitten twee jongens vol overgave met hun mobiele telefoon te spelen. En niet zo maar een oud modelletje, tweedehandsje of van het koelkastformaat. Nee, nieuw, klein, hip en modern. Evenals hun kledingdracht en kapsels. Nog steeds weten we niet wat het gemiddelde inkomen in dit land is, hoe het met de werkloosheid zit of met het percentage opgeleiden, maar het is duidelijk dat er toch ergens in dit land veel geld verdiend wordt. Er rijden redelijk wat 4 WD’s rond, kleine kinderen rijden op leuke nieuwe fietsjes en de marktkraampjes en stalletjes hebben voorraden waar je u tegen zegt.
Op de terugweg naar ons hostel komen we langs een kerk. Vrouwen in vodden zitten buiten op de stoep en proberen kaarsjes te slijten. Maar intussen vragen we ons af wat het waarheidsgehalte van die vodden is. Ze zitten hier in dé toeristenstraat en het zou zo maar kunnen dat ze straks naar huis gaan, hun vodden afgooien en de spijkerbroek met stilettohakken aantrekken. Mobiele foon in de zak, haren even wassen en kammen en fijn uit eten. Je weet ’t niet hè? Misschien klinkt dit alles wel erg achterdochtig, maar we herinneren ons het verhaal uit Myanmar weer erg goed. Daar ontmoetten we een handelaar die in de Boeddhabeeldenbusiness zat en die met regelmaat naar het land kwam om inkopen te doen. Dan ging hij altijd naar een bepaald restaurantje en daar zat dan een vrouw met een baby voor de deur, haar hand opgeheven voor blanken en Westerlingen en bedelend om geld. Die vrouw was altijd dezelfde, maar de baby was om de haverklap een andere. Bleek dat zij baby’s ‘leende’ omdat ze dan gemakkelijker en meer geld kreeg van voorbijgangers. Niks arme alleenstaande moeder dus.
Net voor ons hostel staat aan de overkant van de straat iemand driftig naar ons te zwaaien. ‘Hallo, hallo, jullie hier?’ Het duurt even voor ’t kwartje valt. Bijna tweeënhalve maand later lopen we ineens een Nederlands meisje tegen het lijf dat begin februari samen met ons in hostel Luz Azul in Santiago in Chili zat. Wat is de wereld toch weer klein. Zij heeft intussen een baan in Santiago aangeboden gekregen en reist nu nog wat door Zuid-Amerika alvorens ze thuis zaken af gaat handelen en voor lange tijd in Chili gaat wonen.
Of wij ook naar Pink Floyd gaan, vraagt ze. Nou hadden we al overal in de stad posters van Pink Floyd zien hangen, maar eigenlijk niet gelezen waar het over ging. Blijkt er vanavond een optreden te zijn van één van de beste coverbands in de wereld. Ach, hoewel we allebei geen grote fans van deze band zijn, is het misschien toch wel leuk. Alleen al vanwege het feit dat je dan een concert in Bolivia mee kan maken. Kaartjes zijn er in de klasse dertig en vijftig BOB en we besluiten eens uit te pakken voor ons avondje uit. Voor zo’n zeven dollar mogen we vooraan zitten en krijgen we een heuse stoel in plaats van een bankje.
Rond 21.00 uur zal het concert beginnen, ergens een handvol blokken vanaf het centrum in een soort openlucht theater. Als we tegen kwart voor negen aankomen, staat er een redelijke rij voor het hek en we sluiten aan. Al met al groeit de rij tot flinke proporties maar de hekken blijven dicht. Coca Cola sponsort dit event en heeft zo’n grote opblaasbare fles staan. Als alle verlichting op het terrein ineens uit floept en de colafles als een pudding inzakt, weten we hoe laat het is. Technische mankementen en voorlopig hebben wij onze stoel nog niet gevonden. Het is kwart over elf geweest als we binnen zijn en de heren dan echt gaan beginnen. Ergens in de rij raakte Ries aan de babbel met een Boliviaan, die vertelde dat hij speciaal uit Santa Cruz kwam voor dit optreden. Op onze vragende blikken reageerde hij erg laconiek: ‘Slechts een hele nacht in de bus van Santa Cruz naar Sucre’. Dan moet deze band toch wel erg goed zijn? Ja, weet hij te vertellen. Ze reizen heel Zuid-Amerika door en er schijnen ook plannen voor Europa te zijn. Maar hoe goed ze volgens hem ook zijn en hoeveel reistijd hij ervoor over heeft, na twee uur in de rij en een uur zitten, zijn wij verkleumd, want alles is buiten tenslotte en Pink Floyd is wel veel van hetzelfde. Zelfs het achtergrondkoortje staat op de bühne te verkleumen en we houden het voor gezien. De band gaat eerst nog een kwartier pauze houden (??), maar dat is misschien meer bedoeld om binnen op te warmen.
Een taxi vinden is nu nog geen probleem en een kwartiertje later staan we bij het hostel. Op dit tijdstip ziet Sucre er een stuk minder aantrekkelijk uit. Alle rolluiken zijn dicht, er ligt nog vuil en rommel in de goten en links en rechts dolen wat vreemde figuren rond. Het voelt niet gevaarlijk, maar Sucre moet het duidelijk wel hebben van de blauwe lucht, de zon en de levendigheid.
Tijdens onze speurtocht door de stad ontdekten we nog een tent die door Nederlanders gerund wordt. Aangezien ze er geen boerenkool met worst of gehaktballen verkopen, is er slechts één reden om er naartoe te gaan. Ze hebben Wifi en wij hebben een laptop. Nadat we bij het hostel uitgecheckt zijn, wandelen we die kant op. We zijn de eerste gasten en gisteravond is er blijkbaar een soort after party van het Pink Floyd concert geweest. Het is er donker en ruikt naar bier en verschraalde rook en we duiken in het zonnetje op het terras, da’s beter. Daar tikken de uurtjes weg terwijl we mailen, lezen en een hapje doen. Om 19.00 uur gaat de bus en als we onze bagage ophalen en in de taxi stappen, kijken we elkaar aan. ‘Uhh, wat gaan we eigenlijk in Cochabamba doen?’ Volgens de Planet is het niet de meest geweldige stad van het land (wat dan meestal synoniem staat voor ‘er is geen zak te doen en het is een lelijke stad’) en wat we van medereizigers op hun site gelezen hebben, daar worden we ook niet echt vrolijk van. Maar de buskaartjes hebben we al en het is nu een beetje laat om terug te krabbelen. Misschien wordt het wel tijd dat we onze voorbereidingen wat serieuzer gaan nemen en een plan de campagne gaan maken. Lelijke en oninteressante steden bezoeken is toch wel jammer van de tijd en het geld. Niet dan?
Vorige verhaal                                                  Volgende verhaal