We worden wakker met een enorme hoosbui. De bewolking is zo dicht, dat we de andere kant van het kleine dal niet eens kunnen zien. Maar terwijl we onze bagage inpakken, klaart het op en als we naar buiten lopen, schijnt de zon al weer volop. Dit is de tijd van de kleine regens, zoals de Kenianen zeggen. En dat houdt in dat het af en toe regent. Verfrissende buitjes, die misschien een uurtje duren en zorgen voor wat lekkere afkoeling.
De grens oversteken is hier weer eens ouderwets makkelijk. Even via de immigratie van Ethiopië om een exit-stempel te halen en we mogen door. Bij de Keniaanse douane vullen we een formuliertje in, overhandigen vijftig dollar en krijgen een stempel in ons paspoort, waarmee we de komende drie maanden in Kenia mogen blijven. Hoe gemakkelijk kan het allemaal gaan? Nou, zó gemakkelijk dus. Als we vragen of er een bus richting Nairobi gaat, begint de man van de douane te lachen. ‘We have no busses, man!’, is zijn antwoord, maar als we zeggen dat er volgens ons boek toch echt één moet gaan, twijfelt hij even en misschien hebben we toch geluk. Anders moeten we op één van de vele vrachtwagens een rit zien te bemachtigen.
Het verschil tussen Ethiopië en Kenia is al meteen goed zichtbaar. Zo grijs en grauw als alle gebouwtjes in Ethiopië zijn, zo kleurrijk zijn ze aan de Keniaanse kant van de grens. Bedrijven beschilderen hele gevels in hun kleur en met hun logo, terwijl er soms hele andere bedrijfjes in de panden zelf zitten. Ondanks dat het toch een bende is, met modderige straten en het vuil, dat overal in de goten ligt, ziet het er kleurrijk uit.
En we hebben inderdaad gewoon geluk. Midden in het dorp staat een bus en er is nog plaats. ‘Haast haast’ is het motto, want er is maar één bus en anders zit ‘ie helemaal vol. Achteraf valt dat ook wel mee, want de bus bleek helemaal niet vol te zijn. De rugzakken gaan binnenin en als we zien dat de rij voor de achterbank geen rugleuningen meer heeft, nemen we meteen de halve achterbank in beslag. Zo, wij zitten fatsoenlijk, met beenruimte. Maar omdat alle andere passagiers zo ver mogelijk voorin gaan zitten, twijfelen we even of we wel goed zitten. Ach, we hebben wel vaker slechte ritten gehad, hoe erg kan deze nou zijn?
Nou… nadat we na dertig uur bussen in Nairobi zijn aangekomen, zijn we het over één ding eens. Dit was de ergste rit in veertien maanden tijd. We zijn vaker door elkaar geschud, maar nog nooit hebben we het gevoel gehad dat al onze ingewanden ergens anders zaten.
Als we voor de bus staan te wachten, komt er een bijdehandje voorbij. ‘De bus gaat om negen uur’, roept hij. ‘Nou da’s knap, want het is al kwart over negen’, zeg ik. De man taait af. Maar keurig volgens de planning gaat de bus om half tien rijden. We rijden honderd meter en staan stil. Een paar passagiers stappen in. Daarna rijden we weer honderd meter, de bus keert in het nauwe straatje en rijdt weer terug naar waar we net vertrokken zijn. En daar stoppen we opnieuw en stappen er weer passagiers in. Nee, dat schiet lekker op zo. Konden die mensen niet gewoon op tijd bij de bus zijn en net als wij meteen instappen?
Als iedereen eindelijk zit, gaan we op pad. Een meter of honderd. Ja ja, echt opschieten doet het hier in Kenia nog niet. Een paar mannen in uniform komen de bus in en beginnen alle paspoorten te verzamelen. Nu zijn wij redelijk allergisch voor mensen, die onze paspoorten mee denken te moeten nemen. Nadat we even gevraagd hebben wat ze van plan zijn, stap ik ook uit en volg de stapel paspoorten naar een klein hokje. Eén ding is zeker, onze paspoorten verlies ik niet uit het oog. Het blijkt dat alle namen en paspoortnummers van de passagiers in een groot boek geschreven worden, in verband met eventuele ‘ongelukken’. Als ik doorvraag wat voor ongelukken dat dan moeten zijn, wordt er een beetje omheen gepraat, maar het feit dat er later drie gewapende militairen de eerste 200 kilometer in de bus meerijden, doet vermoeden dat de omgeving toch niet helemaal veilig is en ongelukken in dit geval niet van het type ‘verkeer’ zijn.
Uiteindelijk zet de bus zich om elf uur in beweging. Al met al heeft het hele circus ruim anderhalf uur geduurd. Anderhalf uur om honderd meter te rijden en de namen van vijftig passagiers op te schrijven. Misschien is het toch handiger om iedereen bij het beginpunt in te laten stappen en als mensen een kaartje kopen, meteen hun naam op te schrijven en dan de hele lijst in één keer in te leveren. Dan zouden we met een beetje mazzel al om vijf over half tien op pad kunnen gaan. Maar ja, dit is en blijft Afrika en efficiency is net zo min een Keniaans als een Ethiopisch woord.
Als we een uur of twee gereden hebben, mogen we de bus uit om onze benen te strekken en te lunchen. Aan de kant van de weg staat een vrachtwagen met een lekke band en daar gaan we op wachten. Hmmm, op wachten? En waarom dan wel? Nou, want ondanks dat alles heel veilig is, gaan we toch in colonne rijden. Aha, dat geeft vertrouwen. Na de gewapende militairen in geval van een ‘ongeluk’, rijden we ook nog een keer in colonne. Waarschijnlijk voor het geval er iemand ‘pech’ heeft. Of krijgt.
Nog vertrouwenwekkender is het feit dat onze chauffeur ondertussen onder de bus ligt en het geluid van getimmer eronder vandaan komt. Onderdelen vallen in het zand en een hand schroeven en een dikke slang zijn de voorbodes van een enorme straal water, die op de grond loopt. Nou ben ik geen monteur, maar water betekent doorgaans dat er iets aan het koelsysteem mankeert. Dus niks wachten op een andere vrachtwagen, we hebben zelf pech.
Na een uur liggen er geen onderdelen meer naast de bus, dus we vermoeden – en hopen – dat alles weer onder de motorkap zit. Als we wegrijden, staan de mannen van de vrachtwagen nog steeds verwoed de lekke band te repareren en van in colonne rijden komt dus weinig terecht.
Een uurtje of twee later stoppen we en stapt er opnieuw iemand in uniform in. Paspoortcontrole. Alle Ethiopische passagiers moeten hun paspoort weer inleveren, bij ons wordt er alleen even in gekeken. Een paar auto’s die ons achterop komen, worden na nauwelijks een blik naar binnen doorgewuifd. En terwijl de paspoorten van onze medepassagiers worden gecontroleerd, klinkt er luid getimmer van onder de bus. Dat belooft nog steeds niet veel goeds.
Hobbelend en stuiterend rijden we weer door tot de volgende controle. Ondertussen is het al bijna zes uur en we zien de zon langzaam ondergaan. Door al het oponthoud zijn we vele uren achterop geraakt en hebben we ruim zeven uren over de eerste 200 kilometer gedaan. Maar dat wordt niet alleen veroorzaakt door de technische problemen, de talloze paspoortcontroles vertragen de boel ook flink. Pam hangt uit het raampje, terwijl er achter de bus een hele discussie plaatsvindt tussen de militairen, bestuurder van de bus en twee passagiers, van wie de papieren niet in orde lijken te zijn. Eén van de assistenten van de chauffeur roept naar Pam dat het allemaal corrupte lui zijn, terwijl de militairen gewoon naast hem staan.
Voor de grap maken we een filmpje. We willen toch een beetje laten zien door wat voor gebieden we reizen. En als ik commentaar sta te leveren, krijgen we ineens te horen dat we hier niet mogen fotograferen. Nou snappen we niet waar we geen foto’s van mogen maken, want meer dan een grote droge vlakte, een paar hutten van golfplaat en een hoop stof is er niet te zien. Voordat de militair lastig kan gaan doen, zoekt Pam snel de foto van de bus op, die ik zojuist gemaakt heb en als ik die laat zien, is het probleem opgelost. De vent is wel een gapert, want Pam had de camera vast toen hij er wat van zei en op de foto die ik laat zien, staat Pam zelf….
Ondertussen staan we al weer een half uur te wachten. Lastig doen is hier tot een kunst verheven, vooral als het ten doel heeft de eigen zakken te spekken. Iedereen die hier een controlepost passeert, moet betalen. De chauffeur heeft voor hij bij de controlepost is, al een bedragje klaar dat hij zo af kan geven. We snappen nu onderhand ook wel waarom de Keniaanse bevolking alle corruptie meer dan zat is. Later horen we van onze safarichauffeur dat ook zij constant de dupe waren bij alle politiecontroles, totdat ze massaal besloten om niet meer toe te geven aan de grillen van de agenten en militairen. Nu is dat natuurlijk een stuk makkelijker als je een groepje toeristen in je auto hebt, die flink beginnen te protesteren tegen het onnodige oponthoud, maar de chauffeurs van de matatu’s - het lokale openbare vervoer - kunnen bij elke controle nog steeds afrekenen. Natuurlijk werkt de dreiging om het rijbewijs kwijt te raken en geen werk meer te hebben er ook niet aan mee om de corruptie het hoofd te bieden, maar als alle chauffeurs gewoon massaal ‘nee’ zeggen, vermoeden we dat het probleem zichzelf grotendeels oplost.
Het landschap is van heuvelachtig en droog veranderd in vlak en droog. Voor zover het oog reikt, zien we niks anders dan woestijn. Stenen, zand en hier en daar een verdwaalde boom of struik. Onvoorstelbaar dat hier nog mensen wonen, maar toch zien we ook nog regelmatig herders met hun kuddes geiten of groepjes kamelen.
Langzaam gaat de zon onder en hobbelend en schuddend rijdt de bus door een desolaat landschap. Dan stoppen we voor de zoveelste keer. Niks politiecontrole, nu hebben we een lekke band. We hebben wel vaker lekke banden gehad en meestal hadden we niet eens de tijd om een sigaret te roken, maar dit keer kunnen we wel een heel pakje wegdampen.
Met veel pijn en moeite wordt het wiel eraf gehaald. Dan begint men vol goede moed in het duister de band van de velg af te halen. Ik had toch ergens gezien dat er reservebanden in het ruim lagen, maar blijkbaar zijn die net zo lek of zacht als het exemplaar dat er net vanaf gehaald is. En we verbazen ons wederom over de inefficiency van de Kenianen. In plaats van voor de bus in het licht van de koplampen te gaan staan werken, staan ze achter de bus met een steeds zwakker schijnende zaklamp te rommelen. Daar is ook echt weer over nagedacht….
Het grote voordeel van dit gevalletje pech is wel dat we even een sanitaire stop kunnen maken. En genieten van de schitterende sterrenhemel, die in het steeds zwakker wordende zonlicht verschijnt. Het is niet zo helder als in de Tiger Leaping Gorge in China, maar indrukwekkend is het zeker.
Bijna twee uur later komt er een kleine colonne vrachtwagens aangereden, die wordt aangehouden. De luchtslang wordt erbij gehaald en de ondertussen geplakte band wordt opgepompt. Geen idee hoe ze het hadden willen doen als die vrachtwagens niet langs waren gekomen, maar wij kunnen in ieder geval weer op pad.
Na nog eens ruim vier uur stuiteren rijden we eindelijk Marsabit binnen. Het plaatsje is in diepe rust en slechts hier en daar brandt nog een lampje. Ergens midden in het dorp gaan er mensen uit en worden er allerlei zakken uit het ruim gehaald. Ik doe even boodschapjes bij een winkeltje dat nog open is. Brood, chips, koekjes en frisdrank en we kunnen er weer een paar uur tegenaan. Snel even brood smeren voor de bus weer begint te stuiteren, anders belandt de boter waarschijnlijk tegen het plafond in plaats van op het brood.
We proberen zo goed en kwaad mogelijk wat te slapen, maar achterin de bus is dat bijna niet te doen. Voorin is het schudden een stuk minder, maar daar worden we op de krappe stoelen zo ongeveer geplet tegen de rugleuning van de rij voor ons. Op de achterbank kunnen we tenminste de benen goed kwijt en het stuiteren nemen we op de koop toe. Nog zo’n fijn voordeel van helemaal achterin de bus zitten, is de constante stroom stofwolken die de bus inkomt. En om de één of andere reden is dat achterin natuurlijk het ergst, waardoor wij en onze spullen al snel helemaal rood zijn. Hoe we dat er allemaal af gaan krijgen, is de vraag, maar wel één van later zorg. Eerst maar eens aankomen in Nairobi.
Onderweg moeten we nog diverse keren stoppen bij politiecontroles. Waar die allemaal voor dienen, we hebben geen idee. Het is in ieder geval wel irritant dat we daarbij elke keer bijna een half uur stil staan, omdat de omes agent altijd wel weer wat weten te vinden om over te zeiken. Oftewel, om hun zakken te spekken.
Oorspronkelijk zouden we rond drie uur ’s nachts in Isiolo zijn, maar dat zit er echt niet in. Het wordt al licht als we weer eens stilstaan en ik de chauffeur vraag hoe lang het zo ongeveer nog gaat duren. Nog een uurtje of twee, volgens de man, maar we weten uit ervaring dat je er dan nog rustig een uurtje bij op kan tellen.
In het licht van de nieuwe dag zien we dat het landschap weer is veranderd van woestijn zonder enige begroeiing in woestijn met veel prikstruiken en dorre bomen. Hier en daar komen we langs een dorpje, wandelende er mensen in de berm en zien we het eerste wild, zebra’s en dikdiks. En inderdaad, wij kunnen beter schatten dan de chauffeur die hetzelfde stuk elke week een paar keer rijdt, want het is negen uur als we eindelijk de stuiterbaan achter ons laten en asfalt onder de wielen krijgen. De laatste seconden tellen we letterlijk af als we de verharde weg voor ons op zien doemen. Het is precies vierentwintig uur geleden dat we in de bus stapten.
Midden in Isiolo stopt de bus. De rit direct naar Nairobi zit er met deze bus niet in. De chauffeur heeft zo goed en kwaad als het kon doorgereden en is uitgeput. Daar kunnen we ons ook wel wat bij voorstellen… dat zijn we zelf eigenlijk ook wel. Daarnaast is onze bus misschien nu te kapot om de vierhonderd kilometer naar Nairobi nog te kunnen rijden. Bij het busstation krijgen we te horen dat er over een half uurtje een bus gaat, maar nog geen vijf minuten later moeten we al op komen draven. Snel de bus in om plaatsen in te pikken, want we weten nu hoe het gaat. De bus weer uit om Pam en de bagage op te halen is een stuk lastiger, iedereen loopt te dringen om naar binnen te komen. We doen lekker asociaal, met al onze troep nemen we drie plaatsen in beslag. Dat moet ook wel, want ook deze bus is weer berekend op lilliputters en niet op grote Europeanen.
Als de bus eindelijk vol zit en het aantal passagiers door vier verschillende mensen een keer of zeven geteld is - het duurt natuurlijk weer bijna een half uur voor we kunnen vertrekken - laten we Isiolo achter ons voor het laatste stuk van de tocht. In vergelijking met de voorgaande etmaal is dit stuk weg een verademing. Asfalt all te way. Oké, hier en daar een gat en een kuil, maar dat is niks vergeleken bij de kuilen, gaten en bobbels die we gedurende de nacht hebben moeten doorstaan. En een uur of vijf later kunnen we in Nairobi de bus uit.
Het andere toeristenstel, dat bij ons in de bus zat, heeft één of andere Keniaan gestrikt om ze de weg te wijzen naar de bus richting het centrum. We hebben ons even omgedraaid om onze bagage te pakken en weg zijn ze. Tot zover solidariteit tussen reizigers. We zijn het zat, hebben geen idee waar we nu in Nairobi zijn en hebben genoeg gebust in de afgelopen dertig uur, dus nemen we een taxi naar het centrum. Hier doen we onszelf een flinke hoeveelheid luxe kado.
Nadat we een hele week in ranzige hotelkamers hebben doorgebracht, geen fatsoenlijke douche konden nemen en in minuscule bedjes hebben geslapen, trakteren we onszelf op een fatsoenlijk hotel. Bij de receptie moeten ze toch echt wel even hebben getwijfeld of ze ons wel toe zouden laten, zo goor en stoffig zien wij en onze bagage eruit, maar we krijgen een heerlijke kamer met groot bed, veel ruimte en een heerlijke douche, met meer heet water dan de hele afgelopen week samen. En als we allebei weer schoon zijn en ons bij de lokale hamburgertent hebben volgepropt – na acht dagen spaghetti en macaroni waren we wel toe aan wat anders – haasten we ons weer naar ons hotel terug. Bij de receptie lopen we tegen een Nederlands-Keniaanse vrouw aan. Ze heeft een reisbureau in Eindhoven en is voor werk in Nairobi. We spreken voor de volgende dag met haar af, want we moeten tenslotte nog op safari-jacht voordat Laura en Barbara arriveren. Hierna duiken we snel ons bed in. We hebben het gehaald, maar vraag niet hoe. ‘Eén keer, nooit weer’ geldt zeker voor deze rit en we zijn blij dat Laura en Barbara hun backpackvakantie niet zo hoeven te beginnen.
De volgende dag slapen we natuurlijk eerst heerlijk uit. Gelukkig hebben we een enorme klamboe boven ons bed, want ‘s ochtends vinden we een mug of acht op de kamer, maar wij lagen mugproof.
Pas om elf uur hoeven we klaar te staan en we maken volop gebruik van de tijd. Met de vrouw en haar partner bespreken we de mogelijkheden voor een safari en genieten we even van wat Nederlandse nuchterheid. Ondanks dat de vrouw van oorsprong Keniaanse is, heeft ze een veel reëlere blik en mening over westerlingen dan haar landgenoten, die allemaal denken dat we tot onze knieën door het geld waden en het van de bomen kunnen plukken. We shoppen later die dag nog wat om ons heen voor safariprijzen, maar besluiten om met de Nederlandse vrouw in zee te gaan.
We gaan nog op zoek naar andere hostels voor als Laura en Babs komen – we gaan tenslotte budget backpacken – en shoppen nog even flink bij een enorme supermarkt in het centrum. Nairobi als stad vinden we niet veel. Er hangt weinig sfeer en het is nou niet een plek waar we voor de gezelligheid naartoe zouden gaan. Nadat we in een internetcafé de site bij hebben gewerkt, sluiten we de dag af met pizza. Morgen komen Laura en Barbara en hebben we voor het eerst in vijf maanden weer gezelschap tijdens onze reis.
De volgende dag luieren we lekker een dagje op onze kamer. Een beetje lezen en laptoppen, het is het bekende verhaal. Een dagje lamballen voor we weer actief gaan doen. Daar kunnen we bij tijd en wijle echt van genieten.
We hebben besloten dat de dames de eerste twee dagen nog wel een beetje in relatieve luxe mogen doorbrengen in plaats van meteen in het backpackwereldje te worden gestort en we regelen twee kamers naast elkaar in ons hotel. Om half acht staan we klaar om naar het vliegveld te gaan. De Nederlands-Keniaanse dame van het reisbureau moet zelf ook mensen ophalen, die toevalligerwijs in hetzelfde vliegtuig zitten als Laura en Barbara. Dat scheelt ons mooi weer een ritje met de taxi. Goed voor het budget.
Met slechts tien minuten vertraging komt de vlucht binnen en dat valt, gezien de chaos die er op Schiphol geweest moet zijn, alleszins mee. Terwijl we staan te wachten, raken we aan de praat met de knul die achter de balie van het Intercontinental Hotel zit. Hij vraagt of we in Nairobi wonen. Wij willen graag weten hoe hij daarbij komt. Onze houding en gedrag schijnen dusdanig te zijn, dat het lijkt alsof we helemaal thuis zijn. Als hij hoort dat we een wereldreis maken en al veertien maanden onderweg zijn, valt hij bijna van zijn stoel. ‘Hoe doen jullie dat? En hoe zit dat met je werk? Of zijn jullie zo rijk dat jullie niet hoeven te werken?’ Als we vertellen dat we hiervoor een aantal jaren hard gewerkt en gespaard hebben, is het voor hem nog bijna niet voor te stellen. En als we zeggen dat we zelfs ontslag genomen hebben, is de verbazing compleet. In Kenia is het heel moeilijk om werk te vinden en als je een baan hebt, doe je alle moeite om die te houden. En dan verdien je nog maar net genoeg om in je dagelijkse behoefte te voorzien, sparen voor een vakantie van een jaar is er toch echt niet bij. Veel mensen hebben zelfs twee banen om in hun levensonderhoud te voorzien. De knul is buitengewoon aimabel en behandelt en beschouwt ons niet als rijke westerlingen, maar is daadwerkelijk geïnteresseerd in wat we doen en wil van alles weten over onze reis. Als het vliegtuig eindelijk landt, nemen we afscheid van hem. Gewoon weer eens een leuke spontane ontmoeting.
Tegenwoordig zijn alle vliegvelden zodanig ingericht, dat je aankomende passagiers pas kan zien als ze door de deuren komen, maar voor de verandering kunnen we hier wel in de aankomsthal kijken en zoeken we reikhalzend naar onze familie.
Al snel krijgen we ze in het oog en worden we herenigd. Na een foto en een sigaretje nemen we een taxi naar het hotel en checken we de dames in. We hebben natuurlijk genoeg bij te praten en besluiten dat tijdens het diner te doen. We zijn al bijna uitgepraat voor het eten komt. Kip en patat hoeft toch niet zo moeilijk te zijn, zou je denken, maar onze kok heeft er bijna 2,5 uur voor nodig. Hij is vast nog op pad geweest om de kippen te vangen.
Vermoeid maar tevreden duiken we ons bed in. We blijven nog twee dagen in Nairobi. Dan gaan we met ons viertjes op safari.
Vorige verhaal                                                  Volgende verhaal